zaterdag 9 januari 2021

De Westhoek staat niet stil


IJaarwerk MMXVI, het jaarboek 2016 van de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, maakte Paul Rigolle een geslaagde westhoekoefening. Hij ging op zoek naar schrijvende nazaten van Marguerite Yourcenar aan de Vlaamse kant van de Schreve. Het zoete Heuvelland en de gure Westhoek zijn veelbeschreven locaties in de Vlaamse literatuur. In zijn bijdrage 'Dertig dagen en een versierhandboek' laat Paul Rigolle o.m. Annelies Verbeke, Jan Vantoortelboom, Thomas Blondeau, Roderik Six, Kris Van Steenberge en Piet Chielens de revue passeren.

Sindsdien stond de Westhoek in tegenstelling tot wat je wel eens hoort niet stil. Door Rigolle aangekondigde titels zijn ondertussen verschenen (Koen D'haene, Ketters van de Kemmelberg), op andere is het nog even wachten (Anne Provoost, Kinderen van de IJzer) en er zijn ook nieuwe namen en titels (Maaike Monkerhey, Bellenhof en Miguel Bouttry, Bron van Pijn).

In het recent verschenen Jaarwerk MMXX zoomt Paul Rigolle in op het proza van Jan Vantoortelboom. Terecht, want: 'Wie een bijzondere band bewaart met de Westhoek en ook nog 's van literatuur houdt, kan onmogelijk voorbij aan het proza van Jan Vantoortelboom. In amper een decennium tijd schreef oud-Elverdingenaar Vantoortelboom vijf romans bij elkaar die terecht een voor een, en stuk voor stuk, met de nodige égards ontvangen werden'.
De conclusie van de bijzondere bijdrage is veelbelovend voor al wie van Vantoortelboom en de Westhoek houdt: 'Benieuwd wat de man die veel schrijvers in hetzelfde hoofd met zich meedraagt de komende decennia nog voor ons in petto heeft. En welk soort schrijver hij uiteindelijk zal worden.'

Lees de volledige bijdrage over Jan Vantoortelboom in Jaarwerk MMXX.

Lees ook: Roman tussen de hopperanken: over Bellenhof van Maaike Monkerhey.


zaterdag 2 januari 2021

Waarde Deken De Bo,

"Op een meidag sta ik voor uw praalgraf op de begraafplaats van Poperinge. Een ommuurde verwildering, zielig maar niet zonder ziel. Rond uw graf opgeschoten buxus en hortensia’s, groene woekering van wat vijftien jaar geleden door scholieren werd geplant. Dat moet de botanicus in u plezier hebben gedaan. Drie treden hoog een arduinen kist, daarachter een hoge sokkel waarop een kruis. Alles neogotisch van signatuur en dus van de hand van Jean-Baptiste de Bethune in overleg met uw beider vriend Guido Gezelle. Vooraan op de hoge sokkel een gebed in verzen, links en rechts uw curriculum in het Latijn en het Nederlands. De tekst op de achterzijde spreekt van uw werk en faam." 

Het praalgraf waarvan sprake is dat van Leonard Lodewijk De Bo - de samensteller van het roemrijke Westvlaamsch Idioticon. (1870-1873).

Patrick Lateur werd net als De Bo geboren in Beveren (Waregem). Honderdvijftig jaar na het verschijnen van het Idioticon schreef hij een brief aan zijn beroemde dorpsgenoot.
De brief kan je lezen in Jaarwerk MMXX, het jaarboek van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers.


vrijdag 18 december 2020

Het vaderlandse dichterschap van Els Moors

Els Moors was in de periode 2018-2020 'Dichter des Vaderlands'. Voor 'Jaarwerk MMXX', het jaarboek 2020 van VWS, maakte Alain Delmotte de balans op van de twaalf gedichten die ze in die hoedanigheid schreef en van de manier waarop ze het nationale dichterschap invulling gaf. Zijn conclusie is dat Moors fier mag zijn op wat ze heeft gerealiseerd en hij kijkt nieuwsgierig uit naar nieuw creatief werk. 

'Als we de balans opmaken dan heeft Els Moors alle redenen om fier te zijn op wat ze als Dichter des Vaderlands heeft gerealiseerd. Twaalf gedichten waarvan enkele zeer geslaagd. Ze trad naar buiten en schuwde het publiek niet - wat niet hoeft te betekenen dat ze voor de gemakkelijkste weg koos. Ze verraste, ze stimuleerde, ze nam voorbeeldige iniatieven. Zonder haar ik-gerichtheid en stilistische idiosyncrasie te verliezen koos ze voor thema’s die we niet meteen in haar vorige dichtbundels terugvonden. Haar taalveld heeft ze verruimd. Het is nu uitkijken naar volgend poëtisch werk (waarvan we weten dat Moors daar graag haar tijd voor neemt). We vragen ons af in welke mate deze periode haar weerslag in haar creativiteit zal vinden. Of niet zal vinden.'

vrijdag 11 december 2020

Koenraad Goudeseune is niet meer!

Koenraad Goudeseune, Man van de Westhoek maar vooral van de Wereld, is dood. Nadat bij hem darmkanker werd vastgesteld koos hij geheel vrijwillig om afscheid te nemen van - romanticus als ie
was - dit tranendal. Gisteren al en vandaag worden zijn gedichten door talloos velen gedeeld op de sociale media. Het bewijst dat hij meer betekende dan wat de literaire canon(s) soms wil(len) laten uitschijnen… Jazeker, hij was een moeilijke jongen die in zijn later werk de verbittering om de miskenning de vrije loop liet. Een snuifje kwaadaardige rancune was hem daarbij heel regelmatig niet vreemd. ‘Een woelwater’ zo noemde men hem vaak en gretig. Maar iedereen zal toegeven dat Koenraad Goudeseune kon schrijven en dat de toon van zijn toegankelijke en belijdende gedichten, en van zijn brievenboeken, toch altijd weer uniek te noemen was. Iets wat alleen van waarachtige dichters kan worden gezegd.

Veel mensen schrijven op Facebook en elders herinneringsteksten en plaatsen gedichten van hem.

Pascal Cornet schrijft in zijn “Scherf 93” onder meer:

Koenraad Goudeseune is overleden. Dat feit zal allicht maar weinig mediabelangstelling halen. Maar toch is het een belangrijke gebeurtenis voor al wie deze man de laatste weken heeft leren kennen. En dat waren er nogal wat. Jarenlang zag ik maar een handvol Facebookgebruikers op zijn posts reageren. Nu waren het er opeens vele tientallen. Gelukkig maar, het zal Koenraad Goudeseune deugd hebben gedaan. Want hij verdiende die aandacht. Jammer dat hij er zolang op heeft moeten wachten.

Ook Marc Reugebrink typeert Goudeseune op zijn Facebook-bladzijde erg raak:

Ik heb nooit begrepen waarom hij door de kritiek zo stiefmoederlijk is behandeld, waarom beoordelingscommissies van het Vlaams Fonds zijn werk nooit werkelijk naar waarde hebben geschat. Misschien was het zijn weigering om zich door 'de literatuur' in te laten kapselen. Ik heb wel eens gedacht: had hij in Amsterdam gewoond, had hij zich in de juiste kroegen een stuk in de kraag gedronken — hij zou op zijn minst de status hebben gehad die nu aan een Menno Wigman wordt toegekend. Dat is precies wat hij aanklaagde. Ik hoop desalniettemin dat hij die alsnog krijgt.

En ons aller lieve Tine Moniek plaatst op haar Facebookboek:

Koenraad was de eerste dichter die zich durfde tonen in de rubriek 'Parlandoscoop' waarin ik Vlaamse dichters een plek op YouTube wou bezorgen. Ik voelde me een groentje op bezoek bij een sluwe vos. De opname is erbarmelijk en toch is het nog altijd het enige filmpje dat je ziet als je Koenraad daar zoekt. Maar waarom zou je hem dààr moeten zoeken? Koenraad hoort in elke bibliotheek en in elke serieuze boekhandel. In de loop van al die jaren doofde mijn Parlandokaars. Dat wil niet zeggen dat ik Koenraad niet meer tegenkwam. Behalve op het WWW botste ik op hem op bundelpresentaties, optredens en soms in het nachtleven van Gent en zelfs Menen. Maar altijd zat ik in gedachten wat ongemakkelijk op zijn bed.

En zo kun je vandaag veel her- en gedenkingsberichten lezen.

Op het Literair Magazine ‘Het Moment’ stonden er recent nog enkele (afscheids)gedichten van Koenraad Goudeseune. Daaruit:


IN MEDIA VITAE


Hier vaart iedere dag een boot voorbij met op het dek
een uitgelaten menigte van jonge mensen. Het is zomer,
van ver reeds hoor je dansmuziek, gelach. Het zwelt aan
en nog voor ik de boot kan zien, open ik het venster.

Steeds andere jongelui, maar wat zij doen verandert niet.
Ze wuiven, joelen en heel even sta ik in het middelpunt
als ik hen mijn biertje toon, als ik met hen toost — op wat?
Wat verder maakt de boot een U-bocht en keert terug.

En ik sta daar nog. Wat zich eerder voordeed, gebeurt opnieuw.
Zij die aan stuurboord stonden, staan daar nog en zien mij niet.
Zij die aan bakboord staan, zien me voor het eerst. Ook ik

ben blijven staan waar 'k stond, drie hoog, aan 't open raam.
De boot vaart traag voorbij, de muziek, het gejoel neemt af.
Totdat ik hem niet meer zie, alleen nog hoor, verrassend lang.


© Koenraad Goudeseune


Rip Koenraad! Aan alle vrienden en familie: sterkte!


(Paul Rigolle voor de VWS)


maandag 7 december 2020

De Letterzetter in Kortrijk en De Letterie in Oostende

De onheilsberichten over ontlezing en tanende interesse voor literatuur en schone letteren staan vaak haaks tegenover de hoera-verslaggeving over allerlei mooie initiatieven en projecten rond taal, woorden, boeken en schrijvers. Opvallend hierbij is dat lezen alleen (het openen van een boek, dat vervolgens van de eerste tot de laatste pagina lezen en het ten slotte weer dichtslaan) lang niet altijd meer voldoende is. ‘Leesbeleving’ is het nieuwe toverwoord. Boeken openen deuren naar steeds weer andere boeken, er wordt gekookt, gefietst en gereisd zoals in romans, de schrijver zelf wordt partner in het leesproces (waar hij vroeger zijn boek afleverde en kees klaar was), er wordt samen- en ‘slow’-gelezen en blind gedatet met een boek, leesclubs evolueren naar actieve en interactieve praatgroepen die niet langer stilstaan bij alleen maar een gesprek over plot, thema’s en motieven van de gelezen roman, overal in het straatbeeld verschijnen boekenruilkastjes en boekengeefkasten, schrijvers zijn actief op de sociale media en organiseren mee recreatieve en creatieve leesacties. Je kan het lijstje ongetwijfeld zelf nog lang aanvullen.

De meeste van bovengenoemde acties focussen op een creatieve leeshouding. Door gerichte en leuke acties proberen de leespromotors betere boeken en meer leesplezier aan te reiken. Minder talrijk zijn initiatieven die intens werken rond de link tussen schrijven en lezen. Wie zin in taal heeft en plezier aan boeken beleeft, zal ongetwijfeld ook wel eens zin hebben om zelf te schrijven. Door hen aan te moedigen om zelf de pen in de hand te nemen en hen hierin professionele en deskundige begeleiding te bieden (zowel op het zakelijke als het creatieve vlak), kunnen ze uitgroeien tot regionale woordkunstenaars die dan op hun beurt plezier in lezen en schrijven helpen aanwakkeren. Geen saaie schrijversscholen, maar artistieke en stimulerende labo’s die de grens tussen lezen, laten lezen en zelf  schrijven doen vervagen. Deelnemers maken kennis met het werk van gerenommeerde schrijvers, maar verkennen ook hun eigen schrijftalenten en praten met gelijkgezinden open en bloot over hun schrijfsels die vaak uitgroeien tot gedegen literair werk.

In Kortrijk en Oostende vond Koen D'haene twee in het oog springende literaire projecten. Maak kennis met De Letterie en De Letterzetter in Jaarwerk MMXX.

Lees meer over het Jaarboek 2020 van VWS.





zondag 15 november 2020

VWS-prijs uitgereikt aan Hedwig Speliers

Zoals in een vorig bericht gemeld kon de publieke Uitreiking van de VWS-Prijs-Editie 2020 vanwege de bekende Corona-perikelen niet doorgaan. Renaat Ramon, die de laureaat elk jaar van een heel mooi beeld voorziet, reikte de prijs 'Sculptuur Una' vandaag dan maar persoonlijk uit aan Hedwig Speliers in diens woonplaats in Oostende. In bijlage een aantal foto's van de uitreiking. 

Nog even opmerken dat van de hand van de dichter Jan M. Meier met "Denker en dichter" in het nieuwe jaarboek "Jaarwerk MMXX" een uitstekende en uitvoerige bijdrage over het (recente) werk van de laureaat Hedwig Speliers werd gepubliceerd.  

Jaarwerk MMXX - Inhoud

Jaarwerk MMXX - Jaarboek van de VWS - Editie 2020  - De inhoud 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7 Woord vooraf - Koen D’haene 

9 Brief aan Deken De Bo - Patrick Lateur

21 Denker en dichter - Jan M. Meier
Hedwig Speliers ontvangt de VWS-prijs 2020

51 De lezers hebben het gezien… Stefaan Pennynck
Over het werk van Karel Jonckheere

79 Het vaderlandse dichterschap van Els Moors - Alain Delmotte

98 Contact met de werkelijkheid - Renaat Ramon
Oog in oog met de iconische poëzie van Jan van der Hoeven 

109 Zijn land was leven - Jet Marchau 
Over jeugdauteur Jan Simoen

129 Wie leest, die schrijft - Koen D'Haene
De Letterie in Oostende en De Letterzetter van Kortrijk

149 Een peloton schrijvers gevangen in een en hetzelfde hoofd - Paul Rigolle - Over het proza van Jan Vantoortelboom 

167 Over de medewerkers aan dit jaarboek  


Jaarwerk MMXX” kan besteld worden via het secretariaat van de VWS t.a.v. janbonneure@skynet.be. Graag wijzen we er op dat het lidgeld van de VWS (zonder enige provinciale beperking) ‘amper’ dertig euro bedraagt. En daarvoor krijg je jaarlijks ook het Jaarwerk gratis! Lidmaatschap helpt ons zeer om de uitgave van het jaarboek te financieren en via het lidmaatschap, de nieuwsbrieven en de blog houden wij je op de hoogte over wat reilt en zeilt in de literaire kustprovincie.

De voorstelling van het Jaarboek en de uitreiking van de VWS-prijs voor 2020, in 'normale omstandigheden' voorzien voor vandaag 15/11/2020 kan vanwege de bekende Corona-sores niet doorgaan. De jaarlijkse VWS-prijs - een beeld van Renaat Ramon - die dit jaar gaat naar Hedwig Speliers wordt overigens vandaag 'in intieme kring' aan de Oostendse dichter overhandigd. 

In de komende weken en maanden plaatsen we hier op deze blog- bij gebrek aan een voorstelling - met plezier een aantal uittreksels uit het boek.

Jaarwerk MMXX - Uitgeverij Scriptomanen
 
Eerdere publicaties van de VWS:

JAARBOEKEN
Jaarwerk MMXV-Jaarboek over 2015
Jaarwerk MMXVI-Jaarboek over 2016
Jaarwerk MMXVII-Jaarboek over 2017
Jaarwerk MMXVIII-Jaarboek over 2018
Jaarwerk MMXIX
-Jaarboek over 2019


VWS-Cahiers
Alfabetische lijst cahiers (pdf document)
Chronologische lijst cahiers (pdf document)

 



Jaarwerk MMXIX - Voorstelling Zo 27/10/2019












donderdag 15 oktober 2020

Dichter Christiaan Germonpré overleden

I.M. Christiaan Germonpré (Roeselare 7/9/1950 - Kortrijk 13/10/2020)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In Kortrijk waar hij sinds jaar en dag woonde en vrijwel zijn hele beroepsleven werkzaam was als medewerker van de Bib, nam dichter Christiaan Germonpré dinsdag 13/10/2020 laatst op een waardige en serene manier afscheid van een rijkgevuld en poëtisch leven.

Christiaan Germonpré debuteerde als dichter in het jaar 1978 met de bundel Voor de losprijs van warmte. Er volgden nog zeven dichtbundels waarvan zijn bundels Tweespraak (1990) en Onsterfelijk blauw (1995) die werden uitgegeven door het Poëziecentrum smaakmakend waren. Met Ik verzend mezelf als een ansichtkaart, uitgegeven door Facet, bracht hij in 1998 een selectie van de gedichten samen die hij schreef voor de jeugd. Daaruit werden er door Gerrit Komrij drie opgenomen in zijn bekende bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Ook in Hotel New Flanders staat een gedicht van Christiaan.

Van het jaar 1988 tot 2000 was Christiaan Germonpré redacteur van de bekende VWS-cahiers. Zelf schreef hij zeven van deze essays over de West-Vlaamse literatuur. Met Tussen hemel en aarde publiceerde hij in 1995 een studie over kermissen en circussen in Kortrijk. Belangrijk waren en zijn ook zijn vertalingen van het poëtisch werk van Hilde Domin en Rita Dove. Hij vertaalde voorts ook een groot aantal gedichten van Duitse auteurs zoals Karl Krolow, Ingeborg Bachmann, en Michael Krüger. Hij leverde tevens een hele resem artikels aan allerhande literaire tijdschriften. Peter Aspeslagh bezorgde voor Arhus en de Roeselaarse Auteurs een uitgebreide bibliografie en Julien Vermeulen schreef in het jaar 2002 een VWS-Cahier dat vakkundig inzoomde op het werk van Christiaan. De literaire productie van Christiaan Germonpré vertraagde toen, al in het jaar 2000, bij hem de meedogenloze ziekte MS werd vastgesteld. 

Even werd overwogen om het verzameld werk van hem uit te geven maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen. Er schuilt veel stilte en inkeer in zijn poëzie, zonder gebruik van veel grote woorden, iets wat hem zelf in het dagelijks leven ook typeerde. Al kon zijn lach af en toe luid doorheen het huis galmen.

In mijn bibliotheek staan zijn gedichten blijvend (en beklijvend) tussen die van Gerlach en Gezelle. Ik herinner mij in Christiaan graag een man die, ondanks zijn ziekte, moedig als hij was, tot op het laatst gedreven en alert was en een bijzonder goed oog had voor nieuwe poëzie en publicaties. Daarover was het met hem altijd aardig en geregeld fel badineren (en soms ook wat ongegeneerd roddelen). Afspreken op de afrit Zwevegem aan het rondpunt van Cowboy Henk in het Zuiden van Kortrijk, af en toe op zondagmiddag in het Walle van Hugo Claus ‘tartaar van kalfsmuis met verse kikkerhammetjes en Poperingse hopscheuten' savoureren, het bladeren in fotoalbums over New York en Canada en gesprekken over leven en werk en de kat Wilma, het zijn enkele van de vele herinneringen die we blijvend koesteren.

De voltallige vriendenkring en het bestuur van de VWS bieden Chantal, de familie en de vele vrienden haar diepste gevoelens van deelneming aan.

.../...

Verbond

Wat je gade slaat, wordt opgespaard
Winterkou maakt de lorken gedachteloos.
In hun takken het stil gebaar, de afreis
van het roze in uitdeinend grijs.

We staan als bomen naast elkaar geplant,
zonder schaduw, als een eeuwig verbond
in de grootsprakerigheid van het heelal.
We zwijgen, hand in hand.

En hoe het vaderbeeld steeds in mij opduikt:
de harde handdruk, de afgewogen glimlach,
de nooit uitgesproken zinnen. Geluk

werd voorgelogen. Alleen nadrukkelijk gezag
ondermijnde mijn taal. Toch blijf jij
het voegwoord ‘en’ in mijn levensverhaal.

© Christiaan Germonpré

Uit Onsterfelijk blauw, Poëziecentrum, 1995

.../...

Hilde Sabbe die Christiaan in haar Kortrijkse jaren goed gekend heeft schreef op haar Facebookbladzijde een pakkend en typerend herinneringsbericht dat we hier graag met haar toestemming publiceren.

Ik moet een jaar of 24 geweest zijn toen ik hem voor het eerst ontmoette, boven in wat toen nog ‘t Salonske was op de hoek van de Kortrijkse Grote Markt. Ik at er vaak een dagschotel.

Die dag was er geen plaats meer vrij, maar Roland wees naar een tafeltje waar een jonge man met rossig haar en een vriendelijk gezicht alleen zat te eten. Of ik erbij mocht komen zitten? Hij verschoot van kleur, kuchte zenuwachtig maar noodde me toch tot aanschuiven. We deelden het middagmaal hoofdzakelijk in een wat ongemakkelijke stilte, want hij was verlegen als hij je niet kende, en introvert.

Bij een volgende ontmoeting leerde ik dat hij in de bieb werkte, en fraaie, vaak weemoedige gedichten schreef. Er groeide een warme vriendschap tussen ons. Ik hield van zijn beminnelijke zachtmoedigheid, en ik vermoed dat hij mij een soms wat roekeloze spring in ‘t veld vond. Maar elkaar vonden we altijd.

Twintig jaar geleden kreeg hij de vreselijke ziekte MS. Als ik hem in K bezocht - altijd minder dan ik van plan was of wilde- werd ik diep getroffen door de kalme waardigheid waarmee hij zijn lot droeg. Hij ging niet schelden of drinken, werd niet verbitterd, maar onderging het min of meer gelaten. Gelukkig kon hij altijd rekenen op de steun en aanwezigheid van zijn vrouw die ‘for better and worse’ letterlijk nam. Ze gaf zin aan zijn dagen, hoe lastig ook.

Nu is hij dood. De wereld is weer een beetje killer en schraler geworden.

Dag Christiaan, dankjewel voor alles.


Op zaterdag 24/10/2020 wordt in intieme kring en rekening houdend met beperkende Corona-maatregelen afscheid genomen van Christiaan.

.../...
Extern:
Christiaan Germonpré bij DBNL
Christiaan Germonpré bij Auteurslezingen
Bibliografie van Peter Aspeslagh voor Arhus en de Roeselaarse auteurs (pdf-bestand)

Condoleren kan bij het Rouwcentrum Deseyne en wel via deze link.

Dit bericht verschijnt ook op De Schaal van Digther.

(Paul Rigolle)


woensdag 14 oktober 2020

Zijn land was leven

Jet Marchau over jeugdauteur Jan Simoen. 
In Jaarwerk MMXX.

Jan Simoen (1953-2013) heb ik nooit persoonlijk ontmoet. Ik las met plezier zijn ludieke columns over SIGI in het schooltijdschrift ID, recenseerde met gefronste wenkbrauwen zijn eerste fantasieverhalen, viel daarna met bewondering voor de haarfijne inkijk in het leven van Jonas, Michael, Anna, Nathan en Alice, verzonk in zijn allerlaatste roman over zijn wonderjaar in Middelkerke en beleefde de ijswinter van 1963 opnieuw in het postuum uitgegeven prentenboek De bevroren zee.

Simoens jeugd- en adolescentenboeken situeren zich tussen 1993 en 2012. Hij schreef in de tijd waarin auteurs en critici zich over het grensverkeer tussen jeugdliteratuur en volwassenliteratuur bogen. Zonder zelf grote theorieën te verkondigen, gaf hij de pubers leesplezier en dichtte hij spontaan de kloof tussen adolescentenliteratuur en ‘de grote literatuur’.

Zo bezorgde hij in het goede gezelschap van auteurs als Imme Dros, Henri Van Daele, Anne Provoost, Bart Moeyaert, Ted van Lieshout, Edward van de Vendel of Marita De Sterck de jeugdliteratuur vanaf de jaren negentig een volwaardige plaats in de literaire wereld.

Het is maar één van de redenen waarom zijn werk niet op de bibliotheekrekken mag verkommeren.

Maar er is meer. In de zoektocht voor dit artikel leerde ik naast de auteur ook de mens kennen: Jan Simoen, geboren in Oostende in 1953 en gestorven aan kanker in Leuven op 5 januari 2013.

Openhartige interviews, getuigenissen van vrienden en auteurs bevestigden wat Hendrik Simoen over zijn vader schrijft: ‘een levensgenieter, schrijver, leraar, kunstenaar (…)’ (In: Vandaag gaan we iets plezants doen, 2013).

Niet in het minst leerde ik hem en zijn passies kennen in het relaas van zijn ‘kankerverhaal’. Tussen oktober 2010, de aankondiging van zijn ziekte, en december 2012 hield hij, per mail, zijn familie en vrienden nauwgezet van zijn leven als kankerpatiënt op de hoogte. Hoe hij tussen de zware behandelingen door nog voluit leefde, nog columns en verhalen schreef, vertalingen verzorgde, een paar boeken publiceerde en zijn vrienden overstelpte met verwijzingen naar films, naar de cd van de maand, boek van de maand, dvd van de maand.

Zijn brieven werden door zijn vrouw en vrienden postuum gebundeld in Vandaag gaan we iets plezants doen (Querido 2013). Jan Simoen laat zich ook als een sterk geëngageerde man zien. Bewijs is zijn grote inzet voor Kanker4life, het project dat hij begin 2012 in het leven riep. De VRT- documentaire van Chris Michel over de kindergevangenis Kampiringisa (Kampala, Oeganda), zette hem op het spoor van ‘Foodstep’, een kleine organisatie die zich bekommerde om het lot van de gedumpte kinderen. Met zijn schrijftalent zamelde hij via zijn nieuwsbrieven uiteindelijk 14.655 euro in. Phara de Aguirre, die het project in oktober 2013 als meter bezocht, kon in haar reportage Jan postuum gerust stellen: ‘Opdracht volbracht, Jan.’

In 2013 kende de Leuvense Persclub Jan Simoen voor zijn literaire werk en voor het Kanker4Life-project postuum de jaarlijkse Hugo De Keyserprijs toe.

Door zijn brievenverhaal bekeek ik zijn werk nog met intensere aandacht en dook ik opnieuw in zijn columns en romans.

Dit is het begin van het artikel dat Jet Marchau schreef voor Jaarwerk MMXX, het Jaarboek van de VWS-Editie 2020 waarin het volledige artikel kan worden gelezen. Het jaarboek is intussen te verkrijgen via het secretariaat van de VWS met een eenvoudig mailtje naar janbonneure@skynet.be. Kostprijs: 25 euro. De voorstelling van het boek op 15 november 2020 gepaard met de uitreiking van de VWS-prijs aan Hedwig Speliers kan wegens de Corona-maatregelen niet, zoals eerder gepland, doorgaan in de Bib van Oostende. Er wordt voor de voorstelling nog naar een alternatief gezocht.

Extern:
Jaarwerk MMXX, een uitgave van Scriptomanen
VWS-pagina op Facebook

Kanker for Life - Jan Simoen


dinsdag 13 oktober 2020

I.M. John Heuzel (1945 - 2020)



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In Brugge is op woensdag 7/10/2020 literator en bezieler van het literair tijdschrift “Kruispunt” overleden. In intieme kring wordt morgen 14/10/2020 van John afscheid genomen. Namens de VWS veel sterkte aan Marie-Thérèse en de vele vrienden en familie. Hendrik Carette schreef de navolgende herinneringstekst.

John Heuzel: als een rots in de branding
(Oostende, 23 september 1945 – Brugge, 7 oktober 2020)

“John Heuzel weigerde ook maar één moment van zijn leven ook maar één woord met het accent of de tongval van het rijke kleurrijke West-Vlaamse dialect te spreken. Hij was een echte fanatieke taalpurist en ook een groot lezer en reiziger (volgens zijn weduwe begon hij na een korte onderbreking opnieuw de pijp te roken tijdens een recent bezoek aan China!). In een al ver verleden werd hij de opvolger van de dichter Mark Braet die samen met Georges van Acker het tijdschrift Kruispunt had opgericht. Met zijn Engelse humor en zijn Ierse koppigheid werd John de drijvende kracht (redacteur, recensent en referent) achter dit literair kwartaalschrift dat in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vele lezers en abonnees elke keer weer regelmatig bleef verbazen. 

Alleen al de lijst van bijzondere themanummers die John Heuzel als erudiete editor wist samen te stellen en te presenteren is bijzonder imposant en verrassend. Ik verwijs hier dan ook graag naar het James Joyce-nummer met vermaarde binnen- en buitenlandse medewerkers (december 1982), het Bretagne-nummer (‘Ik heb geen ander land’ samengesteld door Jan Deloof, maart 1998), het Louis-Paul Boonnummer (juni 1984), het Zuid-Afrikanummer ‘Een wankele wereld’ (samengesteld door Luc Renders, juni 1994) en het bijzondere in-memoriamnummer over Mark Braet (samengesteld door John Heuzel en Jan van der Hoeven, maart 2003). En ten slotte het zeer curieuze Stalin-nummer (samengesteld door Peter Bormans, van maart 2009, waarbij John tot grote woede en onbegrip van deze Peter Bormans mijn gedicht ‘Een bolsjewistische fanfare’ vooraan aan het begin van dit nummer plaatste). Hoe dan ook een goed literair tijdschrift is als een literair laboratorium en het is de grote verdienste van de zeer koppige en eigenzinnige West-Vlaming John Heuzel dat hij vanuit zijn Brugse boekenzolder in de Boeveriestraat als vanop een rots in de branding zijn Kruispunt als een lighthouse of vuurtoren liet schijnen. "

Hendrik Carette Schaarbeek, 13 oktober 2020 

Op de literaire site 'De Schaal van Digther' staat ondertussen ook dit herdenkingsbericht.

 

dinsdag 22 september 2020

Roman tussen de hopperanken

Over ‘Bellenhof’ van Maaike Monkerhey 

In Jaarwerk MMXVI, het jaarboek 2016 van de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, gaf Paul Rigolle een mooie round up van hedendaagse auteurs die de Westhoek kozen als locatie voor een roman[1]. Het zijn er wel wat en lang niet allemaal wonen, of woonden, ze zelf in de Westhoek. Misschien vult Rigolle zijn lijstje aan voor een update binnen pakweg tien jaar. Een nieuwe naam wordt Maaike Monkerhey[2], die zich met Niet omkijken, Camille (2017) en Bellenhof (2020) een plekje in de Westhoekliteratuur heeft geschreven. Snel en overtuigend, maar misschien gaat het net wat makkelijker als je in Wijtschate woont, te midden het zoete Heuvelland en met een wonderlijk uitzicht op de Kemmelberg. De berg der bergen als je in de streek bent. 

Monkerhey’s debuutroman, Niet omkijken, Camille[3], richtte zich eerder naar lezers vanaf 12 jaar. De roman vertelt het waargebeurde vluchtverhaal van Camille Tiersen, een jongen van 12 die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog samen met zijn familie en vrienden in Wijtschate woont. Ook Jet Marchau kan haar lijstje met West-Vlaamse jeugdauteurs die schreven over de Grote Oorlog, dat verscheen in Jaarwerk MMXV, dus aanvullen[4].

In de nieuwe volwassenenroman van Maaike Monkerhey, Bellenhof[5], is oorlog niet ver weg. In bijzonder sfeerscheppende openingsbladzijden introduceert de auteur een duister personage dat zich schimmig schuilhoudt op het erf van hoppeboer Florent en zijn zwangere vrouw Martha. Hij staat onder ruisende populieren en die herinneren hem schokkend aan een zin die hij niet meer uit zijn hoofd krijgt. ‘Da! Hinter diesen Pappeln! Hinter diesen Pappeln’. 
Toch is Bellenhof geen oorlogsroman. Het verhaal begint op 6 september 1944, de dag waarop Poolse bevrijders de grensstreek rond Poperinge bevrijden en een einde maken aan de Tweede Wereldoorlog. Het is een aangrijpende gebeurtenis die er mede voor zorgt dat Leo Lebbe twee maanden te vroeg wordt geboren. Bellenhof vertelt het verhaal van drie generaties Lebbes: vader Florent, zijn zoon Leo en diens dochter Isabelle, die in 2019 deelneemt aan de verkiezing van de hoppekoningin in Poperinge. 

Niet de oorlog, maar de hoppe is het overheersende thema in de roman. Vader Florents hart klopt op het ritme van de hoppeteelt. Elk jaar ontvangt hij na de zomer het plukvolk en het kotjesvolk, die alle bellen van zijn hopperanken komen plukken – Kort! Rap! En zonder blad! 
Zijn zoon Leo is 12 als hij in 1956 de plukkers woest ziet vertrekken als ze horen dat Florent een machine heeft gekocht en dat hij hen volgend jaar niet meer nodig zal hebben. Met de plukkers verdwijnt ook Elvire uit het leven van Leo, net voor ze de tijd kreeg om zijn eerste liefje te worden. Hun eerste zoen smaakte nog naar hoppe, maar dat zou vast niet blijven duren hebben. 
Het verdwijnen van de tradities en de modernisering van de landbouw zorgt ook in het leven van de Lebbes voor een omwenteling. In 1988 is Leo beenhouwer in Brussel en zijn vrouw is geen hoppeplukster in Poperinge, maar mannequin in Milaan. Hun werelden blijven niet matchen en Leo keert, radeloos en wanhopig, terug naar Poperinge. Hij landt er stilaan weer op zijn pootjes. ‘Ook als het moeilijk gaat. Net zoals de katten.’ Het zijn woorden die moeder Martha wel vaker in haar mond neemt.

Maaike Monkerhey schreef een boeiende en aangrijpende familiegeschiedenis. De drie generaties Lebbe introduceren de wereld van de hoppe – ‘vroeger en nu’. Begin september gaat het hart van de hoppetelers sneller kloppen: ‘Dit moment had elk jaar iets magisch. Leo’s hart maakte een sprongetje. Het hoppeveld en het erf zouden morgen gonzen van de drukte. Zo stil als het nu was, zo luidruchtig zou het er morgen en de dagen erna aan toe gaan’ (p. 60). Alle hoofdstukken in het boek spelen zich af in het begin van de maand september (in 1944, 1956, 1988, 1999, 2019 en 2020) en als lezer voel je al snel de spanning van de maand mee. 

Bellenhof zal in Poperinge en omstreken wellicht aan een grondig onderzoek worden onderworpen door plaatselijke heemkundigen en kroniekschrijvers van de hoppegeschiedenis. Ik ga ervan uit dat de roman de toets met verve zal doorstaan – Monkerhey besteedde veel tijd aan degelijke research, ging op zoek naar passionele vertellers over de hoppecultuur, organiseerde een koffieklets met kranige oudjes en beleefde ook zelf de pluk mee. Maar de roman is meer dan een hedendaagse streekroman of een nostalgische terugblik op een verdwijnende wereld. De drie generaties Lebbe komen tot leven als mensen van vlees en bloed en ze maken van Bellenhof evenzeer een boeiende ontwikkelingsroman. Hun angsten, hun vreugdes en hun verdriet zijn echt en doorleefd. 

Monkerhey schreef beklijvende passages in haar boek. De sfeer van de hoppeplukkers op het veld. De groeiende verliefdheid tussen de jonge Leo en Elvire en hoe de jongen met grote ogen het stevige rollebollen van Simon en Nel tussen de hopperanken gadeslaat. De autorit van de radeloze en verlaten Leo van Brussel naar Poperinge. De vranke en levenswijze mama en oma Martha. Met ‘We praten dan wel?’ helpt ze haar zoon als die niet wetend hoe te vertellen over zijn scheiding in de keuken staat. ‘Kind toch. Het staat zeker al tien dagen op je gezicht te lezen. Ik kon alleen nog niet raden wie de gelukkige was,’ zegt ze als kleindochter Isabelle zich verbaasd afvraagt hoe haar oma weet dat ze stapel is op Bert. En zo zijn er veel meer sublieme zinnetjes die bladzijden beschrijving onnodig maken. Er is veel en heel doeltreffend geschrapt in deze roman. 

Een keer vreesde ik dat het schrappen niet was gelukt. Vader Florent is bezeten door Guido Gezelle en laat dat van tijd tot tijd blijken door hele verzen van de priester-dichter te mompelen of te orakelen. Net voor ik dacht dat het teveel zou worden, hield het op. Zo brengt Gezelle wat extra West-Vlaamse kleur in de roman. Een klein eerbetoon, waar lees je die verzen anders nog? 
Ik was overigens opgelucht dat de personages van Monkerhey geen West-Vlaams praatten. Wat ze zeggen, staat in keurig Nederlands, de taal die hoort in een roman. Enkele cursieve streekwoorden zijn ruimschoots voldoende voor de regionale belevenis. Pupegoale, moekes, hommel en kallepein staan cursief. Frankrijk is ’t Fransche, een draagtas is een bazatse en paardenbloemen zijn pisseblommen. Maar plokken is plukken. 

Maaike Monkerhey schreef een boeiend en authentiek verhaal en ik vond het erg fijn om een roman lang op het Bellenhof te vertoeven. Volgend jaar ga ik tijdens het derde weekend van september naar de hoppefeesten. Naar ’t land van Poperinge en van den hommelpluk. 
De roman kreeg een bijzonder sfeervolle omslagtekening van Trui Chielens – nog een meisje uit de Westhoek. Niet twijfelen, maar lezen.


NOTEN
[1] Dertig dagen en een versierhandboek: de Westhoek in de recente Vlaamse literatuur / Paul Rigolle.// In: Jaarwerk MMXVI. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2016. – P. 52-67
[2] Maaike Monkerhey (1979) woont in Wijtschate. Ze is onderwijzeres in een Steinerschool in Ieper en als auteur gebeten door taal en geschiedenis. Website: www.maaikemonkerhey.com/
[3] Niet omkijken, Camille / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2017. – 183 p.
[4] Al die jonge mensen! Wat een zonde: West-Vlaamse jeugdauteurs en de Grote Oorlog / Jet Marchau.// In: Jaarwerk MMXV. – Brugge: Vereniging van West-Vlaamse schrijvers, 2015. – P. 22-42
[5] Bellenhof / Maaike Monkerhey. – Meulebeke: Bibliodroom, 2020. – 216 p.


donderdag 17 september 2020

Poëziepad van A tot Z

Met wat Corona-vertraging vindt in Sint-Denijs (W-Vl) op zondag 27 september 2020 e.k. de onthulling van het gedicht van Hannah Kirsten (gastdichter van deze editie) en het winnende gedicht van de poëziewedstrijd "Poëzie van A tot Z"-Editie 2020 plaats. Het poëziepad tussen Avelgem en Zwevegem wordt alsmaar poëtischer! Hieronder de uitnodiging en het programma!



donderdag 10 september 2020

Een ommetje waard. Ter ere van Katrien De Groote.

In de Loppemstraat, in de schaduw van het Brugse Belfort, trekken een beeldje en een paar poëzieregels de aandacht. De poort is een (private) toegang tot de tuin van het huis De Zomere ( 1479) in de Oude Zomerstraat, het vroegere huis van Jan Broes ( 1943- 2019) en zijn ex-vrouw Katrien De Groote (1941-2016). Het huis en de tuin herbergden een indrukwekkende verzameling kalligrafie van Jan Broes, in steen en op papier. Het beeldje boven de poort in de Loppemstraat is een buste van een De Medici. De maker blijft even onbekend, maar het beeldje werd er geplaatst door Joris Olyslaeghers, vader van de auteur Jeroen en vriend van Jan Broes.

Maar de poëtische regels op de poort in de Loppemstraat zijn een meer dan verdiende hommage aan Katrien (of Katherine) De Groote:

Brugge
je bent het huis van de zwaan
je kleed is van water
je hartslag van klokken
je geur is de geur van vergaan

Katrien De Groote publiceerde in 1973, onder de naam Katrien Broes, de novelle Petrus. Tot verdere publicaties kwam het niet, maar talrijke poëtische teksten, korte gedichten en brieven, verspreid over vrienden en familie, getuigen van een onontdekt talent. Haar mémoires, eveneens geschonken aan haar vrienden en familie, zijn een literair tijdsdocument. We lezen er over de familie in oorlogstijd en over haar kindertijd, met authentieke briefwisselingen. Fragmenten van gesprekken , korte briefjes, wederzijdse ideeën tonen ons de intense vriendschap met Christine D’Haen. Ook met Marguerite Yourcenar, die in De Zomer te gast was, had ze tijdelijk een nauwe band, vastgelegd in enkele brieven.

De poort is een ommetje door de Loppemstraat waard, Katrien de Groote ter ere.

© Jet Marchau