Posts tonen met het label Roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Roman. Alle posts tonen

dinsdag 25 augustus 2026

Tegen het verdwijnen

Jet Marchau over 'Twee mensen worden' van Lies Gallez

Lies Gallez (Assebroek-Brugge, 1990) debuteerde met kortverhalen en poëzie in Vlaamse en Nederlandse tijdschriften. Na de verhalenbundel Het water vangen (2021) volgde in 2023 de poëziebundel Honger, heteronormativiteit & het heelal. Als ghostwriter van Veerle Hegge doorbrak ze het taboe rond anorexia op latere leeftijd in  De stem van mijn stilte (2025). Lies Gallez woont en werkt nu in Antwerpen, maar blijft Brugge in haar hart dragen. Letterlijk en figuurlijk.

In  haar debuutroman Twee mensen worden (2026 ) herkennen we de hunkering naar verbinding uit haar verhalenbundel  en de activistische toon van sommige gedichten. 

De roman wisselt tussen het heden en het verleden van de verteller Echo. De volwassen Echo keert terug naar het dorp (Doel) waar ze met haar moeder woonde. Het brengt bittere herinneringen terug aan haar kinder- en pubertijd. 

Haar vader verdween op zee, of  ‘naar de overkant’, (de stad), toen ze vier was. Het dorp moet plaats maken voor de uitbreiding van de haven, of voor een groot industrieterrein. De jonge Echo ziet het dorp leeglopen, maar haar moeder wil van geen wijken weten. Ze blijft wachten op vader: ‘Het huis dat moeder koste wat het kost wilde behouden was eigenlijk het enige wat moeder, vader en ik bijeenhield’.  In haar onmacht verkoopt moeder zich als prostitué en verdrinkt ze haar verdriet. De dertienjarige Echo zoekt haar op in bars en probeert zo veel mogelijk zelf te overleven, door haar schoolwerk én vooral door zich in te leven in de lessen van haar biologieleraar mijnheer Pernel. Maar moeder richt haar woede op haar jonge dochter: ‘De fles wordt een verlengstuk van zichzelf’.

 ‘Alcohol had haar taal opnieuw besmet’  En daar besmet ze  Echo mee: ‘Niemand zal ooit van je houden’.

Echo wordt doordrongen van die herhaalde woorden en draagt ze haar verdere leven mee.

In haar waanzin neemt moeder Echo mee naar de donkere kelder en snijdt ze haar in de arm: om te oefenen voor de pijn van later. Echo blijft de littekens letterlijk en figuurlijk houden.

Ook Echo wacht op haar vader en ze  geeft hem een eigen gezicht. Uiteindelijk  vindt ze een foto waarmee ze tegen beter weten in op zoek gaat, met de hulp van haar close vriendje Rinus.  Bij hem ervaart ze voor het eerst vriendschap en zelfs liefde.

‘We waren een klein eiland van twee mensen.’

Hij help haar bij haar zoektocht:

Wil je blijven zoeken?’

‘Tegen beter weten in zal ik hem altijd blijven zoeken. Als is het maar tussen alle gedachten en beelden in mijn eigen hoofd!’

‘Wat moet ik anders doen met de hoop die ik heb?’.

Het liefst zou Echo verdwijnen, in een compleet zwarte nacht ‘ die al wat moeilijk is vanzelf liet verdwijnen, als een goochelaar in een circus.

‘Mam’ riep ik het donker in. Het woord dat over het water strompelde werd een echo. En echo’s verdwijnen in een niets. Misschien had moeder me daarom deze naam gegeven.’

Dat Echo wil verdwijnen uit de hectische wereld, wordt ook duidelijk in het wisselende hoofdstukken over de volwassen Echo.

Echo, een biologe,  voelt zich vervreemd in de stad en in haar kantoorwerk: ‘Het voelde alsof ik twee mensen geworden was. Ik had mezelf een rol eigen gemaakt die spande steeds strakker om mijn lichaam, waardoor het leek alsof ik in ademnood kwam.

Ze besluit samen met enkele anderen een bos in de buurt van Antwerpen (of  Doel) te bezetten dat op het punt staat gekapt te worden om het nabijgelegen industrieterrein te vergroten.

Een flashback drong zich aan mij op:  naar de bezetting van het Lappersfortbos (2001-2003 en 2008-2009) in Assebroek, in het geboortedorp van Lies Gallez (en van mij).. Met hetzelfde resultaat…

L'Histoire se répète…

In die hoofdstukken lees je gedetailleerd  over de passie van Echo voor bomen: hun functie, hun ondergrondse netwerken en de bovengrondse verbinding van hun kruinen. In het bos zoekt ze de ‘moederboom’ die haar de veiligheid moet schenken die ze als puber bij haar eigen moeder niet vond.

Lies Gallez staaft haar stellingen  over het grote nut van de natuur en het bos in het bijzonder met veelvuldige verwijzingen naar wetenschappers en pseudowetenschappers. Hun namen vind je  achteraan in de roman..

Ik heb iedere zin, ieder woord gelezen, Lies Gallez heeft me zeker overtuigd, maar dat had ze niet zo uitgebreid hoeven te doen. Ik had vaak de neiging om over bepaalde pamflettaire  passages  heen te lezen..  des Guten zu viel...
De kans is heel reëel dat er hier uiteindelijk geskimd wordt. En alsof Lies Gallez dat ook wist, spreekt ze de lezer (of zichzelf?) erop aan: ‘ weet je nog?’ = wat die of die auteur daarover schrijft? Amper dus.

Ook daardoor, naast alle verwijzingen en herhalingen,  krijgen die volwassenhoofdstukken een sterk activistisch karakter.

Wel was ik onder de indruk van de vastgehouden parallellen tussen de hoofdstukken van de jonge en de volwassen Echo. Ieder hoofdstuk sluit af met een hint die in het volgende hoofdstuk uitgewerkt wordt.

Een voorbeeld: Pierre, de nieuwe, tijdelijke man van haar moeder, leest ‘De donkere kamer van Damocles’. In het volgende hoofdstuk zet bibliothecaresse Peggy, die de volwassen Echo steunt, een boek van Willem Frederik Hermans in de rekken.

En een allesbepalend parallel tussen de jonge en volwassen Echo:

Bij het noodgedwongen verlaten van het bos, daalt de volwassen Echo neer in een zelfgegraven put, dicht bij de wortels van de vermeende moederboom: ‘Misschien begint het nu, mijn eigen verdwijnen. Misschien is dat altijd mijn lot geweest.
Het thema van eenzaamheid en het zich vreemd voelen in de wereld wordt hiermee bevestigd.

‘Twee mensen worden’ is een intens boek, schrijnend wat er met de kleine Echo gebeurt, schrijnend ook wat er met de natuur gebeurt.   En een pamflet voor mede-activisten.

In boekenvriendschap, Jet

© Jet Marchau 

 


woensdag 19 augustus 2026

Tussen moeten en mogen

Tussen moeten en mogen (april 2026) is het debuut van Tine Claeys (°Wingene, 1983).



Voor haar roman vond Tine inspiratie in het familiearchief, en vooral in het leven van haar overgrootmoeder Emma tijdens het interbellum. We lezen over het huwelijk en het wedervaren van  Emma en Cosmas (zoals haar echtgenoot in de roman wordt genoemd) en over het vertrek  van de fictieve zus Alice een week voor het haar eigen opgelegde huwelijk.

In tegenstelling tot Emma ontvlucht Alice de bekrompenheid van het platteland (Zwevezele). Het doel is in te schepen naar het beloftevolle Amerika, maar vanwege een oogprobleem geraakt ze niet op de boot.

Na wat rondzwerven in Antwerpen, komt ze uiteindelijk in een herenhuis terecht, als kompaan van het dienstmeisje Anna.

In de roman vullen realiteit en fictie elkaar aan. De reële belevenissen  van de honkvaste en traditie getrouwe  Emma  op het platteland staan in sterk contrast met het gedrag van de (fictieve) zus Alice in de fascinerende,  groeiende stad Antwerpen.

Dit contrast wordt duidelijk in de brieven die Emma aan Alice schrijft. Alice schrijft weinig terug, deels omdat ze het onbegrip van haar zus vreest, deels omdat ze niet wil ingaan op haar vraag om terug te komen.

 

Terwijl Alice zich in Antwerpen moet aanpassen aan het nog traditioneel burgerlijk milieu met ‘madame’ als strenge heerseres binnenshuis- zoekt ze ook haar weg in de showwereld en revues.

Samen met Anna wandelt ze op hun zeldzame vrije namiddag langs de herenhuizen, de opkomende winkels, de haven, bekijken ze films, ervaren zij- en wij-  de orkestmuziek bij  de stomme film , horen en zien ze van buitenaf hoe de wereldtentoonstelling van 1930 opgebouwd wordt. De charleston en jazz klinken op de achtergrond.

Onverwacht belandt ze in de Hippodroomgezelschap van Rik Santen- begin 19e eeuw bekend als  theatermaker en revuezanger. Dat betekent voor haar een beslissende stap naar de vrijheid. Ook aan de seksuele vrijheid kan ze niet weerstaan, haar tegenstribbelend geweten legt ze het zwijgen op.

De titel is over de hele lijn duidelijk: wat moet, wat mag?

 

Tine Claeys volgt alle belevenissen en gebeurtenissen jaar na jaar, van 1927 tot 1934, tot ook de eerste tekenen van jodenhaat zich in Antwerpen laten voelen en de gemoederen verdeeld worden. Dan moet Alice besluiten: terug naar het veilige, maar weinig geëvolueerde platteland? En waar naartoe dan?

 

Historisch gezien is dit een bijzonder interessante roman, zeer gedocumenteerd (zie de indrukwekkende bronvermelding), en met een levendig  uitgebreid beschreven tijdsbeeld  Dit gedetailleerde schrijven vraagt geduld om te blijven volgen, soms zou beperking de roman nog leesbaarder maken. ‘Too much of a good thing-‘ als roman misschien, , maar filmisch met veel mogelijkheden! 

 

In boekenvriendschap, Jet

 

© Jet Marchau

 

Tussen moeten en mogen, Tine Claeys, 2026, Uitgeverij Bibliodroom


dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
<!--[if gte mso 9]>

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op 'De Schaal van Digther'.

www.astridhaerens.be


zaterdag 14 maart 2026

Het jongetje dat bijen at


Eind deze maand verschijnt "Het jongetje dat bijen at" van Gilbert Nyatanyi. Gilbert groeide op in het landelijke Egem en vertelt hoe het hem - afkomstig uit Rwanda - hier verging...
Het boek is een uitgave van Otheobooks.be 

"In het Het jongetje dat bijen at vertelt Gilbert Nyatanyi het ontroerende, waargebeurde verhaal van een jongen die tussen twee werelden opgroeit: geboren in Rwanda, grootgebracht in het nuchtere West-Vlaanderen. Zijn jeugd vol honing, warmte en kleur krijgt een andere glans wanneer hij zijn vader verliest en als kind naar België wordt gestuurd. Hij moet er opnieuw wortelen, tussen heimwee en hoop, tussen het verleden dat hij met zich meedraagt en de toekomst die hij wil omarmen. Met poëtische precisie en milde ironie schrijft Nyatanyi over afkomst, identiteit, liefde en vergeving. Hij verweeft het verhaal van zijn familie en een verscheurd land met dat van een jongen die leert hoe veerkracht klinkt – soms als gezoem. Het jongetje dat bijen at is een ontroerende en hoopvolle autobiografie met helende verhalen. Een uitzonderlijk debuut, meeslepend en vol menselijkheid.
 
Gilbert Nyatanyi (1971, Rwanda) groeide op in Egem, West-Vlaanderen. Hij is jurist, gespecialiseerd in bank- en financieel recht, met ervaring in Europa en Afrika. Ook wel bekend als ‘Gilberke’ uit de tv-klassieker Alles kan beter. Hij is gehuwd en vader van twee dochters.'


Zie ook dit Facebook-bericht Dun lied donkere draad.



Gilbert Nyatanyi werkte in het najaar van 2025 als adviseur bij Golazo ook mee aan het televisieprogramma ‘Regenbogen in Rwanda’ dat inzoomde op het WK Wielrennen in Rwanda. 
 

donderdag 18 september 2025

Het sneeuwt. (Ook op het warme thuisterras) - Jet Marchau

Recensie 'In het wit' van Roderik Six 

'in het witis het zesde boek van literair Knackjournalist en bekroond auteur Roderik Six (Ieper 1979). In zijn vorig werk, ‘waarin veel woede zat’, slaat hij nu een menselijker pad in, ‘op zoek naar tederheid’. (RS).

Die tederheid, het resultaat van grote empathie, uitgedrukt in gedetailleerde observaties en, zoals Stefan Hertmans over Volt (2019) schrijft: in ‘loepzuivere stijl’ én taal, greep me bij de keel.

In ‘in het wit’,(zonder hoofdletter in de titel) ontmoeten we twee vrouwen: M en Iris.

In beide verhalen sneeuwt het. Het verhaal van M splitst zich in twee delen die het middenverhaal, van Iris, omsluiten.

-Het verhaal van M is in de verleden tijd geschreven.

Beginzin: het sneeuwde.

‘Sneeuwen, het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt’

M: Emma, maar afgekort omdat er van een ‘ma’ geen sprake is, is op weg naar haar demente vader in een landelijk rusthuis. En ze is vooral op weg naar een moeilijk gesprek met de arts en een hartverscheurende beslissing.

Via haar gedetailleerde kijk, bedenkingen en commentaren krijgen we een duidelijk beeld van de persoon M.

Tijdens de verre tocht met de bus kijkt zij bijna geobsedeerd door het raam naar de sneeuw en naar hetgeen buiten gebeurt. Het intensieve kijken roept bij haar herinneringen aan andere jaargetijden op, en verwijzingen naar auteurs en persoonlijke gebeurtenissen.

Ook bij het rusthuis zelf blijft geen detail onopgemerkt. Haar innerlijke commentaren zijn vaak cynisch en cassant:

Uit gewoonte helde de bus sissend op zijn kant om rolstoelen en wandelrekjes makkelijker te lossen. Het deed denken aan een vuilniswagen die zijn lading op het stort kiepert, als laatste rustplaats voor het bedorven vlees de oven in gaat.

Het wachten roept in de wachtzaal associaties, irritaties en nog meer bedenkingen op.

Enkel een laptop verried dat ze niet in een roman van Dickens was beland.

Haar verhaal gaat verder in het derde deel, na het verhaal van Iris, haar moeder: die M maar kort kende:

‘haar ( vroeg gestorven) moeder heette Iris maar voor M was dat slechts een naam, even betekenisvol als een straatbord in een bomenwijk…Haar herinneringen waren kopieën, droge lemma’s (…)

-Het verhaal van Iris is geschreven in de tegenwoordige tijd, terwijl het toch eerder dan M’s verhaal plaats vindt. Is dit om de tristesse hier nog voelbaarder te maken?

Beginzin: het sneeuwt.

Iris staart door het keukenraam naar de sneeuw. Buiten speelt haar man met haar kind. Ook hier volgen we haar in gedetailleerde waarnemingen. Maar Iris is moe, het gevoel dat ze nooit echt wakker is, overheerst, terwijl ze wel de’ scherpte van de wereld ‘ voelt.

ze vervloekt de erfenis van het moederschap, de ingebakken angst die je niet laat slapen; altijd half oor, speurend(..) altijd paraat, altijd bang (…) wanneer is het ooit genoeg?

Dokter Steels met een luisterend oor, raadt haar een dagboek aan. Ze probeert het, in de donkerte:

‘Misschien is het ook zo met woorden, misschien is het beter om net naast het ding te schrijven, om het ding te omsingelen, liever dan het platweg te benoemen.’

Maar het helpt haar uiteindelijk niet vooruit. Ze leidt ons stap voor stap rond in ‘haar wrakkig oud huis’, vervloekt het, hoewel met tederheid, zoals ze ook haar hele leven vervloekt.

Wanneer de wereld door de sneeuw een pauze, een ‘snipperdag’ heeft ingevoegd, probeert ze nog het beste ervan te maken door pannenkoeken voor man en kind te bakken, maar:

Deze dag. De lengte ervan. Het gewicht. Deze banale gedachten; de ondraaglijke schraalheid van haar bestaan ‘.

Dan gaat ze slapen, terwijl het kind en haar man buiten een iglo bouwen, worstelt ze zich uit haar kleren, legt ze haar verlovingsring op het nachtkastje en glipt ze weg:

‘Ergens barst iets, het huis huivert. Het zwart wordt dieper nu, onaards, en Iris spartelt: dit is te diep.

Hoe Roderik Six beschrijft hoe ze wegglijdt, hoe hij haar sterven en haar worsteling gevoelvol beschrijft, treft mij diep.

De ring van Iris legt een draadje naar het derde deel, dat weer aansluit bij het eerste verhaal van M, wel opnieuw in de verleden tijd: het sneeuwde.

Haar vader is al een tijdje gestorven en langzaam glipt ook de wereld van M door haar vingers: haar lichaam was een dichtgetimmerd kraakpand waarin de lampen één voor één zouden doven.

Opnieuw treft dit gedetailleerd inleven van Roderik Six: de twijfel, het tig-keren controleren, de gele post its, en misschien wel het ergste: ‘geen schouder om op te huilen’. ‘M kon, niet eens bij zichzelf terecht. Want binnenkort zou haar geest haar ziekte vergeten’.

Het houvast aan haar dierbare auteurs licht heel even op, maar ook dit verdwijnt.

Hoeveel intenser en empathischer kun je dreigende dementie nog beschrijven?

Een ding komt haar nog helder voor de geest: ze moet op zoek, naar de verlovingsring van haar moeder. En weer gaat ze op weg, terwijl ze door het raam van de trein nu de lente ziet ontwaken. Op weg naar haar geboortedorp. Waarom? Ik onthoud je de pointe.

Wellicht kunnen de troosteloosheid van de thema’s of de intense beschrijvingen afschrikken. Ik zelf ben na de laatste bladzijde in de zon op het thuisterras gaan zitten, op zoek naar warmte tegen al die kou. De roman had en heeft me bij de keel gegrepen.

En toch raad ik dit boek aan, vanwege de tedere empathie, de gedetailleerde filmische opmerkzaamheid van Six, de ongelooflijke secure en rijke taal, vanwege het literaire genot.

Dank zij Six’ filmische voorstelling, zal ik ieder vlokje sneeuw nu nog intenser bekijken, zal ik intenser meevoelen met de troosteloosheid van sommige levens.

En neen, in het wit brengt geen boodschap, maar het verhaal kan zeker een gespreksonderwerp voor gevarieerde leesgroepen zijn. En dat maakt de roman dan weer veelzijdig.

In boekenvriendschap, Jet

© Jet Marchau

‘In het wit' bij Uitgeverij Prometheus
Website Roderik Six

Deze recensie verschijnt ook op De Schaal van Digther