Posts tonen met het label Recensiewerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Recensiewerk. Alle posts tonen

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op 'De Schaal van Digther'.

www.astridhaerens.be


donderdag 18 september 2025

Het sneeuwt. (Ook op het warme thuisterras) - Jet Marchau

Recensie 'In het wit' van Roderik Six 

'in het witis het zesde boek van literair Knackjournalist en bekroond auteur Roderik Six (Ieper 1979). In zijn vorig werk, ‘waarin veel woede zat’, slaat hij nu een menselijker pad in, ‘op zoek naar tederheid’. (RS).

Die tederheid, het resultaat van grote empathie, uitgedrukt in gedetailleerde observaties en, zoals Stefan Hertmans over Volt (2019) schrijft: in ‘loepzuivere stijl’ én taal, greep me bij de keel.

In ‘in het wit’,(zonder hoofdletter in de titel) ontmoeten we twee vrouwen: M en Iris.

In beide verhalen sneeuwt het. Het verhaal van M splitst zich in twee delen die het middenverhaal, van Iris, omsluiten.

-Het verhaal van M is in de verleden tijd geschreven.

Beginzin: het sneeuwde.

‘Sneeuwen, het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt’

M: Emma, maar afgekort omdat er van een ‘ma’ geen sprake is, is op weg naar haar demente vader in een landelijk rusthuis. En ze is vooral op weg naar een moeilijk gesprek met de arts en een hartverscheurende beslissing.

Via haar gedetailleerde kijk, bedenkingen en commentaren krijgen we een duidelijk beeld van de persoon M.

Tijdens de verre tocht met de bus kijkt zij bijna geobsedeerd door het raam naar de sneeuw en naar hetgeen buiten gebeurt. Het intensieve kijken roept bij haar herinneringen aan andere jaargetijden op, en verwijzingen naar auteurs en persoonlijke gebeurtenissen.

Ook bij het rusthuis zelf blijft geen detail onopgemerkt. Haar innerlijke commentaren zijn vaak cynisch en cassant:

Uit gewoonte helde de bus sissend op zijn kant om rolstoelen en wandelrekjes makkelijker te lossen. Het deed denken aan een vuilniswagen die zijn lading op het stort kiepert, als laatste rustplaats voor het bedorven vlees de oven in gaat.

Het wachten roept in de wachtzaal associaties, irritaties en nog meer bedenkingen op.

Enkel een laptop verried dat ze niet in een roman van Dickens was beland.

Haar verhaal gaat verder in het derde deel, na het verhaal van Iris, haar moeder: die M maar kort kende:

‘haar ( vroeg gestorven) moeder heette Iris maar voor M was dat slechts een naam, even betekenisvol als een straatbord in een bomenwijk…Haar herinneringen waren kopieën, droge lemma’s (…)

-Het verhaal van Iris is geschreven in de tegenwoordige tijd, terwijl het toch eerder dan M’s verhaal plaats vindt. Is dit om de tristesse hier nog voelbaarder te maken?

Beginzin: het sneeuwt.

Iris staart door het keukenraam naar de sneeuw. Buiten speelt haar man met haar kind. Ook hier volgen we haar in gedetailleerde waarnemingen. Maar Iris is moe, het gevoel dat ze nooit echt wakker is, overheerst, terwijl ze wel de’ scherpte van de wereld ‘ voelt.

ze vervloekt de erfenis van het moederschap, de ingebakken angst die je niet laat slapen; altijd half oor, speurend(..) altijd paraat, altijd bang (…) wanneer is het ooit genoeg?

Dokter Steels met een luisterend oor, raadt haar een dagboek aan. Ze probeert het, in de donkerte:

‘Misschien is het ook zo met woorden, misschien is het beter om net naast het ding te schrijven, om het ding te omsingelen, liever dan het platweg te benoemen.’

Maar het helpt haar uiteindelijk niet vooruit. Ze leidt ons stap voor stap rond in ‘haar wrakkig oud huis’, vervloekt het, hoewel met tederheid, zoals ze ook haar hele leven vervloekt.

Wanneer de wereld door de sneeuw een pauze, een ‘snipperdag’ heeft ingevoegd, probeert ze nog het beste ervan te maken door pannenkoeken voor man en kind te bakken, maar:

Deze dag. De lengte ervan. Het gewicht. Deze banale gedachten; de ondraaglijke schraalheid van haar bestaan ‘.

Dan gaat ze slapen, terwijl het kind en haar man buiten een iglo bouwen, worstelt ze zich uit haar kleren, legt ze haar verlovingsring op het nachtkastje en glipt ze weg:

‘Ergens barst iets, het huis huivert. Het zwart wordt dieper nu, onaards, en Iris spartelt: dit is te diep.

Hoe Roderik Six beschrijft hoe ze wegglijdt, hoe hij haar sterven en haar worsteling gevoelvol beschrijft, treft mij diep.

De ring van Iris legt een draadje naar het derde deel, dat weer aansluit bij het eerste verhaal van M, wel opnieuw in de verleden tijd: het sneeuwde.

Haar vader is al een tijdje gestorven en langzaam glipt ook de wereld van M door haar vingers: haar lichaam was een dichtgetimmerd kraakpand waarin de lampen één voor één zouden doven.

Opnieuw treft dit gedetailleerd inleven van Roderik Six: de twijfel, het tig-keren controleren, de gele post its, en misschien wel het ergste: ‘geen schouder om op te huilen’. ‘M kon, niet eens bij zichzelf terecht. Want binnenkort zou haar geest haar ziekte vergeten’.

Het houvast aan haar dierbare auteurs licht heel even op, maar ook dit verdwijnt.

Hoeveel intenser en empathischer kun je dreigende dementie nog beschrijven?

Een ding komt haar nog helder voor de geest: ze moet op zoek, naar de verlovingsring van haar moeder. En weer gaat ze op weg, terwijl ze door het raam van de trein nu de lente ziet ontwaken. Op weg naar haar geboortedorp. Waarom? Ik onthoud je de pointe.

Wellicht kunnen de troosteloosheid van de thema’s of de intense beschrijvingen afschrikken. Ik zelf ben na de laatste bladzijde in de zon op het thuisterras gaan zitten, op zoek naar warmte tegen al die kou. De roman had en heeft me bij de keel gegrepen.

En toch raad ik dit boek aan, vanwege de tedere empathie, de gedetailleerde filmische opmerkzaamheid van Six, de ongelooflijke secure en rijke taal, vanwege het literaire genot.

Dank zij Six’ filmische voorstelling, zal ik ieder vlokje sneeuw nu nog intenser bekijken, zal ik intenser meevoelen met de troosteloosheid van sommige levens.

En neen, in het wit brengt geen boodschap, maar het verhaal kan zeker een gespreksonderwerp voor gevarieerde leesgroepen zijn. En dat maakt de roman dan weer veelzijdig.

In boekenvriendschap, Jet

© Jet Marchau

‘In het wit' bij Uitgeverij Prometheus
Website Roderik Six

Deze recensie verschijnt ook op De Schaal van Digther



dinsdag 30 april 2024

Jet Marchau over 'Een ander leven' van Bart Moeyaert

Ik lees en ik lees en ik lees…

Bart Moeyaerts lang verwachte (gedeeltelijke) biografie verscheen in de prestigieuze reeks privé-domein van de uitgeverij Arbeiderspers. Bart mag zich met nummer 328 eén van de gerenommeerde auteurs uit binnen- en buitenland noemen die hem sinds 1966 voorafgingen.

Het uitgangspunt van Een ander leven is een verjaardagscadeau aan zijn 70-jarige moeder: een driedaagse citytrip naar Parijs: ‘ekki weg’ of: ‘er even tussenuit’.

In Parijs polst hij naar hun beider leven:
‘Hoeveel weet mijn moeder eigenlijk van de volwassen man en schrijver?
En hoeveel weet ik van het leven van mijn moeder?’ Op de vragen die hij in Parijs aan zijn moeder niet gesteld heeft, probeert hij in Een ander leven antwoorden te vinden, met de citytrip als leidraad.
De 339 blz. non-fictie vind je in de bibliotheek onder het etiket biografische literatuur. Het lijvige boek is hoofdzakelijk een autobiografie, en een gedeeltelijke biografie. De onderverdeling in 5 delen: opmaat, eerste, tweede, derde rust, en slotakkoord zijn een vage aanduiding over de gemoedtoestand van de auteur bij het langzame afscheid nemen van zijn verleden na de dood van zijn ouders, en van de ballast die na jarenlange rouw die uiteindelijk van hem afvalt.

-Een autobiografie: De zoon Moeyaert herdenkt zijn vroege levensjaren: zijn kinder- en tienertijd in het ouderlijk huis in de Karel van Manderstraat in St.- Kruis-Brugge, als jongste van zeven broers, met een strenge vader en een zorgende moeder. Daarbij en daarnaast komen ook zijn problematische schooltijd in het Brugs St.-Leocollege, zijn studententijd in Brussel, zijn verblijf in Parijs, Antwerpen, Amsterdam … aan bod.
-Een gedeeltelijke biografie van zijn moeder: daarin probeert hij zicht te krijgen op haar jonge jaren. Als enige dochter van de huisbewaarster woonde ze met haar moeder in de ‘sous-sol’ van het kasteel Gruuthuyse in Oostkamp. In haar huwelijk met onderwijzer, later inspecteur Omer Moeyaert was ze de volgzame echtgenote, en de zorgende, vaak zorgelijke moeder voor en over haar zeven zonen.
Talrijke foto’s van zowel moeder als zoon ondersteunen beide verhalen.

Het is gepasseerd
Het andere leven van zijn moeder, Henriette (Riet) Smessaert.

Een ander leven is door de dubbele inkijk ook een dubbel tijdsdocument.
De jaren dertig komen tot leven in het kasteel Gruuthuyse, dat Bart ter gelegenheid van een opendeurdag bezoekt. We wandelen dankzij zijn bijzonder intense mijmeringen in de naglans van de belle époque mee naar de sous-sol. Daar beeldt hij zich in hoe het vaderloze gezin overleefde in het kasteel nadat de adellijke familie in 1939 halsoverkop naar veiliger oorden (Zwitserland) verhuisde. Ik bekijk de intieme film in zijn hoofd: de poëtische, tedere auteur van zoveel fictieverhalen is nooit ver weg.
Dit aangeklede verhaal over zijn moeder schetste hij eerder in zijn allereerste gepubliceerde kortverhaal ‘De lente van 39’, verschenen in het ts. Ezeloor. Een nieuwtje voor mij.. Het werd later in het Duits vertaald als Kellerkatze en in 2007 maakte Bart een er luisterversie van.
Zijn moeder is karig met het oproepen van ‘dien tied’: ‘t is gepasseerd’…dus moet Bart wel een beroep doen op zijn verbeelding.
Het ‘andere leven’ van zijn moeder krijgt nog meer kleur in de muziek en de liedjes die de jonge vrouw en moeder meezingt: Nana Mouskouri, Dalida, Grace Kelly, Juliette Gréco, Marva, Mireille Mathieu…: ‘sterke vrouwen met volgens haar een groots en meeslepend, maar niet helemaal gelukkig leven’. Ik neurie glimlachend mee.
Bij de bedenking of zij zich zelf tot de sterke vrouwen rekende, botst Bart op de terugkerende mantra: ‘’t Is gepasseerd’.
Korte fragmenten uit brieven van zijn moeder, voornamelijk uit de jaren 86-89, enkele van na 2000, leiden de verschillende hoofdstukken, of passages, in. Ze zijn voornamelijk informatief over het reilen en zeilen van zijn vader en haarzelf in een leeglopend huis. De eenzaamheid drukt.
Maar nog altijd is er dat bezorgde: ‘‘ zeg op tijd tegen jezelf; rustig jongen’, het verlangen: ‘ we zien mekaar zo weinig/ en we wonen veel te ver van elkaar’ en de onderhuidse voelbare appreciatie.
Ik lees en ik lees en ik lees, vol bewondering verdwalend in Barts beeldende herinneringen.

Het andere leven van een zoekende jongen en auteur.

Een tweede tijdsdocument vormt de brede achtergrond van de beginnende auteur, de coming- of age- en coming-out periode. Een zoekende periode na zijn debuut als 18-jarige.
Opnieuw glimlach ik, en samen met mij waarschijnlijk ook veel oudere lezers, bij de reactie van de timide winnaar van de Kinder- en Jeugdboekenprijs voor zijn debuut Duet met valse noten (Altiora). Ik lees en leef mee met zijn morele coming-of-age gevecht (met zijn vader en met zichzelf), om op eigen benen te staan; over hoe hij zich met Kus me (1991), zijn vierde boek , onder impuls van Mireille Cottenjé, losmaakt van het jeugdfonds van uitgeverij Altiora; over het moeilijke afscheid en van Norbert Vranckx, zijn enthousiaste uitgever van het eerste uur; over zijn overstap naar de ‘vrijere’ en literaire uitgeverij Querido en zijn kennismaking met uitgever Jacques Dohmen.
Ik lees geïnteresseerd over de gesprekken met gekende uitgevers en auteurs, onder andere Nelleke Berns en haar man Jef, André Sollie en zijn man Wim, Veronica Hazelhoff, Marit Törnquist, zijn Duitse vertaalster Mirjam Pressler en noem maar op.
Hun werk draait in een schilderachtige carrousel voor mijn ogen, net als de boeken die Bart in zijn kinderjaren koesterde: Pietje Bell, Pietje Puk, de gebroeders Leeuwenhart, de kinderen van het achtste woud van Els Pelgrom, de liedjes van Jasperina de Jong…later ook Imme Dros, Wim Hofman, Judith Herzberg, auteurs van wie hij het ‘precies genoeg’- schrijven koestert en overneemt.
En ik herinner me de prijzen die hij in die tijd niet of wel kreeg en zijn verontwaardiging over de minachting voor de jeugdliteratuur. Ik knik instemmend.

Alle zitjes van de nostalgische carrousel worden beeldrijk gevuld.
Ik lees en ik lees het kriskras geschreven verhaal. Chronologie is van geen belang, het verhaal volgt zijn herinneringen die hij put uit dagboeken, brieven, krantenknipsels, foto’s en herinneringen. Steeds getriggerd door het samenzijn met zijn moeder in Parijs.
En tussen al die herinneringen door stok ik ook vaak halverwege: bij zijn late coming- out verhaal, en wat daaraan voorafging. De vrienden van korte tijd,, de vrienden van langere tijd, zijn grote liefdes in Parijs, in Amsterdam, Antwerpen en in Borgerhout…waar hij zijn tweede rust vond.
Bart, dacht ik, ben ik nu een voyeur? Wil je ons ook dit in al je eerlijkheid tonen?

Want dat is Een ander leven ook: een zeer openhartige verhaal van een onzekere jongen, die omwille van zijn geaardheid dit gevecht met zijn vader en zichzelf moet aangaan. En dit lang verborgen houdt. Ook al las ik die passages met een zekere gêne, ze roepen loepscherp de moeilijke zoektocht van de twijfelende jonge man op. Op die manier kleuren ze op een intieme, maar openhartige manier het tijdsdocument van de jaren 80 en 90.

Ekki weg ( er even tussenuit)
Ik ben net als Barts moeder ‘ekki weg’ geweest. Als West-Vlaming, Bruggeling bovendien, heb ik nog vaker geglimlacht onder meer bij de West-Vlaamse woorden die hij getrouw uit de mond van zijn moeder noteert: ‘getjoold’, ‘mo joeng’s toch’ ‘ekki weg’ ‘ in dien tied’, (…). Met vertaling weliswaar.
Ik las en ik las en ik las. Bart Moeyaert liet me in Een ander leven zien wat hij vaak ongrijpbaar voelt.
De intense zoektocht van zijn vroege leven verwoordt hij ‘precies genoeg’.
En tenslotte: De derde rust en het slotakkoord: in de lange rouwperiode na het overlijden van zijn ouders, zet een verrassende point finale: in een doos die hij post mortem toebedeeld krijgt, vindt Bart Moeyaert de appreciatie en de trots van zijn vader waar hij jarenlang naar op zoek was geweest.

Bart, je openhartige en bijzonder neergeschreven tocht zal me bijblijven. Je overdonderde me nog maar eens. Dank dat ik even mee mocht.

© Jet Marchau, 28 april 2024.

Een ander leven, Bart Moeyaert - Privé-Domein - De Arbeiderspers

Een diepgaande bespreking van het vroegeree werk van Bart Moeyaert vind je in het jaarboek van de VWS 2023: