Vorige zaterdag stelde Pierrette COffrée haar tweede dichtbundel 'Coffarnaüm' voor in de bibliotheek van haar hometown Moorsele. Het was een gezellige bijeenkomst in de schaduw van de door haar geadoreerde Kezelberg, de asfaltbubbel waarop ze haar kinderjaren heeft doorgebracht.
Auteur-uitgever Patrick Bernauw gaf een bevlogen
inleiding die de originaliteit van de vloeiende woorden- en beeldenstroom in
Pierrettes 'poëmen' heerlijk introduceerde.
Licht herwerkte versie van de inleiding uitgesproken bij de boekvoorstelling.
Waarde potentiële lezer,
Beste medepassagier op wat ongetwijfeld een licht chaotische reis zal worden,
Ik moet u iets bekennen.
Toen ik dit manuscript voor het eerst in handen kreeg, dacht ik: ‘Dit is geen
bundel gedichten, dit is een storm.’ Een tornado van woorden, beelden, talen,
stemmen – en zoals u wellicht weet, pleegt een tornado ook al eens enige
verwarring te veroorzaken.
We hebben dit boek de NUR code 306 meegegeven, die staat voor poëzie, zodat Coffarnaüm
in boekhandels en bibliotheken als zodanig zal gecatalogeerd staan. Je zou de
bundel een verzameling slam poetry kunnen noemen, want deze teksten verzoeken
de auteur dringend ermee op een podium te klimmen. Je zou het boekwerk ook als
‘theaterteksten’ kunnen benoemen, maar eigenlijk – laten we wel wezen – is
Pierrette de enige die ze kan brengen zoals het hoort. Terwijl het toch de
bedoeling van een theatertekst is dat ook anderen die hun stem kunnen geven.
Deze schrifturen zijn zo hoor- en zichtbaar geschreven (ah ja, want schrifturen
zijn zowel hoorbaar in de klankkamers onder uw schedelpan als zichtbaar voor uw
geestesoog) in het onnavolgbare idioom van Pierrette COffrée, dat het
aartsmoeilijk wordt als niet Pierrette zijnd performer ze honderd procent zo te
doen klinken als ze bedoeld zijn. Want, zoals ze ook over een enigszins
omstreden Nobelprijswinnaar Literatuur plegen te zeggen: ‘Niemand zingt COffrée
zoals Pierrette.’ U kunt uiteraard wel een poging doen, en Pierrette zal
daarbij uw eerste supporter zijn – zo heeft ze mij stellig toevertrouwd.
Maar Coffarnaüm is dus een zootje. Want dat is waar het woord
‘caffarnaüm’ voor staat. ‘Dat is daar een waar caffarnaüm!’ Een wan-orde, een
chaos, zoals in de Bijbelse stad Kapernaüm.
Maar de oplettende lezer van die titel heeft het al gemerkt: Pierrette maakte
er een ‘Coffarnaüm’ van, met de o van COffrée in plaats van de bijbelse a. Dit
zootje ongeregeld kan allemaal in haar kiste – ik laat in het midden of het er
één van steen is en bijgevolg een steenkiste – of, laten we het anders zeggen,
het kan allemaal in hare reiscof-frée. (Dit is, geheel tussen haakjes, een hint
naar de naam achter het pseudoniem, voor toekomstige COffrologen. Als dat niet
goed gezegd is – ‘Bene Dicte’, in het Latijn! – weet ik het ook niet meer.)
Zoals Pi het zelf schrijft in haar voorwoord – ja, sinds haar debuut Tabak
Taboek verscheen, in 2024 en ook bij de Scriptomanen, noem ik haar gemeenzaam
Pi zoals zij mij gemeenzaam Pé mag noemen, het fonetisch initiaal van mijn
voornaam Patrick, achternaam Bernauw… En Pi, dames en heren, let goed op en
neem uw notitieblok in de aanslag, want dit is toch wel een bijzonder leuk
wistjedatje… Pi is een wiskundige constante met een oneindig aantal decimalen
achter de komma die nooit in een herhalend patroon vervallen. Pi is met andere
woorden een irrationaal getal, dat nooit eindigt en bijgevolg zeer toepasselijk
is. Pi is bovendien, om het met enige citaten uit de bundel te illustreren: ‘de
oker-rozige regenPIER, de hengelPIER, de Mjeelse PIER in NoorderKempenland, zij
PIEreliert op de aardvraatworm, als de heimelijke ssssPIER van ons bestaan, o
laten we dus walsen in meander cadans de PIErendans, en PIErewaaien naar achter
naar voor, ook Pommelien danst mee in regentenue, PIErpret verzekerd!’
Maar waar was ik dus gebleven? God zeg, deze inleiding tot de COffrologie wordt
ook al een zootje… Sorry hé. Ah ja, zoals Pi het ver-woordt in haar voor-woord:
‘In mijn kleine bootje roei ik op de woelige wateren van het woord. (…) Ook
mijn poëtische werf is een zootje van performante poëmen.’
En kijk – dat is allesbehalve een vrijblijvende metafoor. Dat is een
waarschuwing. Kom achteraf niet klagen dat Pi u niet verwittigd heeft. Dit
bootje van papier zal je niet comfortabel vervoeren van de eerste naar de
laatste bladzij. U zult zelf moeten roeien.
Even verder wordt het nog mooier – of erger, afhankelijk van uw conditie: ‘Je
bent niet de eerste die ik met roeirijmen moet opvissen uit de troebele wateren
van mijn schrijven.’ Met andere woorden: als u straks kopje onder gaat… dat is
ingecalculeerd.
Wat Pi hier doet, is wat ik zelf als schrijver enorm
bewonder: ze weigert te kiezen. Tussen ernst en humor, mystiek en satire, het
sacrale en het ronduit absurde, het verheven en platvloers, de zogenaamd hoge
en de nog zogenaamder lage cultuur. Pi is alles tegelijk, tot in het oneindige.
Neem bijvoorbeeld die prachtige, licht ontregelende aanwezigheid van de
engelen. Omdat iedere engel verschrikkelijk is, volgens Rilke althans – ja, die
waarschuwing krijgt u ook netjes mee, als motto van de bundel – tovert Pi geen
engelen ten tonele die lieflijk op een wolk harp zitten te spelen. Dit zijn
engelen die vloeken, schrobben, zingen, klagen.
Een van mijn favoriete momenten – dat komt omdat ik zelf nogal wat over de
Graal van Brugge en de kroost van Kristus heb geschreven – komt uit het gedicht
over het Heilig Bloed, waar een engel met een knipoog naar meneer en mevrouw
Macbeth, bijna hysterisch roept: ‘Ik word zot van die vlek, van die plek!’
Waarna een ode volgt… aan een wasmiddel. Als dat geen hedendaagse mystiek is…
Maar onder die humor zit nog wat anders. Iets dat schuurt. Wat mij bijzonder
raakt in Coffarnaüm, is hoe de poëtisch theatrale verhalen van Pi
voortdurend de confrontatie aangaan tussen onze oude mythes en nieuwe
realiteit. Spinnen weven het lot en de ‘Muskspin’ vangt ons in een digitaal
web. En zo vallen we ineens tussen twee stoelen: die van de mythologie en die
van Silicon Valley. Het oeroude, het hypermoderne. En we beseffen: misschien
zijn we niet zo ver geëvolueerd als we denken.
Er zijn tal van raakpunten in dit boek tussen die Pi en deze Pé. Het nieuwe
boek van Pi speelt zich af in een Fantastisch Vlaanderen, een parallel
universum dat ook het mijne is – ik hou er niet voor niets een podcast op na,
getiteld Mysterieus België. En ik woon al een leven lang in Erembodegem:
de mythische en mystieke Sint Amanduskapel ligt op een paar steenworpen van
mijn achterdeur… En laat Pi nu toch wel een indringend portret ophangen van de
goedheilige patroonheilige van Vlaanderen, zeker! (Ook die van de brouwers en
barmannen trouwens.)
Jij Amandus boom-crapulus
wortel van de ecologische ramp
in welk zaagsel wij nu zitten!
Ecce arboricida gloriosus!
Roemrijke boommoordenaar
Carnifex silvarum honoratus!
Gekroonde woud-beul
Princeps caesorum arborum!
Prins der boomkappers
Jij ontketende de bijlenstorm
Jij hakte de hemel om
En wat heeft die goeie ouwe Amandus daarop te zeggen? ‘Dat zijn heel heel
oude koeien…’
Een ander moment dat mij als schrijver van Het Bloed van het Lam zeer
dierbaar is: de passage over het Lam Gods. Want ja, ook dat schaap blijft in
navolging van de Rechtvaardige Rechters niet netjes op zijn plaats staan. Het
ontsnapt. Het wandelt Gent in. Het wil… leven! En het zegt, heel eenvoudig en
ontroerend: ‘’t schaap wil schaap zijn, geen wollig verhaal.’
Wie van ons wil niet gewoon zichzelf zijn, zonder verhaal dat door anderen
wordt bedacht en opgelegd?
Als groene jongen die alleen klimaatrampen in het verschiet ziet als wij ons
niet een klein beetje gaan gedragen zoals onze natuur het vraagt, hou ik ook
van de ecologische laag in deze bundel, die overal binnen sluipt – soms zacht,
soms als een Boem Paukenslag. Want ja, neem nu die passage uit de Pauken
Pierenslag van daarstraks, waarin een pier ons toespreekt: ‘als ik geen aarde
meer kan wreten… kronkel ik me krom in jullie geliefde hersenpan’. Het is
tegelijk grotesk en geniaal… En vooral: het blijft hangen.
Ik denk ook aan de afdaling in de afdeling Carbon
Paradise, waar we teruggaan naar het begin van de aarde: ‘een tijdreis van
jaren eeuwen eonen…’ Plots zit je als lezer niet meer in een boek, in een
verhaal, in een gedicht, maar in een soort oersoep van taal en bestaan.
Ten slotte wil ik ook nog iets gezegd hebben over de meertaligheid van dit
boek. Pi schrijft doorgaans in een min of meer beschaafd Vlaams, gekuist
Westvlaams zelfs, maar in haar woordenstromen vloeit dat door elkaar met Frans,
Engels, Latijn… zoals onze gedachten zich wel eens verstrengelen tot een
onontwarbaar kluwen, of zoals dromen dat doen. Zoals, wellicht, ook ons
Flaumaland dat doet, le plat pays dat het onze is.
Beste lezer,
Ik ga afronden – al zou ik eigenlijk nog een paar bladzijden kunnen doorgaan,
want dit boek is een schatkist. Of misschien beter: een rommelzolder waarin je
onverwachte schatten vindt. Laat mij eindigen met wat misschien de kern is van
dit boek. Het zit niet in een citaat, maar in een gevoel. Het is een
uitnodiging. Coffarnaüm zegt eigenlijk: ‘De wereld mag dan een zootje
zijn, en de mens rommelig – zoals de taal dat ook is. Maar laat deze absurde
bende geen probleem zijn. Integendeel, laat het… materiaal zijn.’
Of, om het nog eens met Pi zelf te zeggen: ‘Welkom aan boord… het gevaarte is
wankel.’
Duik dus in deze koffer en doe een Pierretteke… ik wens u een voortvarende
vaart toe!
---
Je kan deze tekst ook als podcast beluisteren, te vinden op alle grote platformen zoals Spotify, Apple Podcast of Podimo, in de serie Mysterieus België, onder de titel Patrick Bernauw over Coffarnaüm van Pierrette COffrée:
https://www.scriptomanen.org/2026/03/coffarnaum-pierrette-coffree.html
"Coffarnaüm' van Pierrette COffrée verscheen bij uitgeverij Scriptomanen.
| Koen D'Haene en Pierrette COffrée |
| Inleider Patrick Bernauw |

Geen opmerkingen:
Een reactie posten