Tussen moeten en mogen (april 2026) is het debuut van Tine Claeys (°Wingene, 1983).
Voor haar roman vond Tine inspiratie in het familiearchief, en vooral in het leven van haar overgrootmoeder Emma tijdens het interbellum. We lezen over het huwelijk en het wedervaren van Emma en Cosmas (zoals haar echtgenoot in de roman wordt genoemd) en over het vertrek van de fictieve zus Alice een week voor het haar eigen opgelegde huwelijk.
In tegenstelling
tot Emma ontvlucht Alice de bekrompenheid van het platteland (Zwevezele). Het
doel is in te schepen naar het beloftevolle Amerika, maar vanwege een
oogprobleem geraakt ze niet op de boot.
Na wat
rondzwerven in Antwerpen, komt ze uiteindelijk in een herenhuis terecht, als
kompaan van het dienstmeisje Anna.
In de roman
vullen realiteit en fictie elkaar aan. De reële belevenissen van de honkvaste en traditie getrouwe Emma
op het platteland staan in sterk contrast met het gedrag van de
(fictieve) zus Alice in de fascinerende,
groeiende stad Antwerpen.
Dit contrast wordt duidelijk in de brieven die
Emma aan Alice schrijft. Alice schrijft weinig terug, deels omdat ze het
onbegrip van haar zus vreest, deels omdat ze niet wil ingaan op haar vraag om
terug te komen.
Terwijl Alice
zich in Antwerpen moet aanpassen aan het nog traditioneel burgerlijk milieu met
‘madame’ als strenge heerseres binnenshuis- zoekt ze ook haar weg in de
showwereld en revues.
Samen met Anna
wandelt ze op hun zeldzame vrije namiddag langs de herenhuizen, de opkomende
winkels, de haven, bekijken ze films, ervaren zij- en wij- de orkestmuziek bij de stomme film , horen en zien ze van
buitenaf hoe de wereldtentoonstelling van 1930 opgebouwd wordt. De charleston
en jazz klinken op de achtergrond.
Onverwacht
belandt ze in de Hippodroomgezelschap van Rik Santen- begin 19e eeuw
bekend als theatermaker en revuezanger.
Dat betekent voor haar een beslissende stap naar de vrijheid. Ook aan de
seksuele vrijheid kan ze niet weerstaan, haar tegenstribbelend geweten legt ze
het zwijgen op.
De titel is over
de hele lijn duidelijk: wat moet, wat mag?
Tine Claeys volgt
alle belevenissen en gebeurtenissen jaar na jaar, van 1927 tot 1934, tot ook de
eerste tekenen van jodenhaat zich in Antwerpen laten voelen en de gemoederen
verdeeld worden. Dan moet Alice besluiten: terug naar het veilige, maar weinig geëvolueerde
platteland? En waar naartoe dan?
Historisch gezien
is dit een bijzonder interessante roman, zeer gedocumenteerd (zie de
indrukwekkende bronvermelding), en met een levendig uitgebreid beschreven tijdsbeeld Dit gedetailleerde schrijven vraagt geduld om
te blijven volgen, soms zou beperking de roman nog leesbaarder maken. ‘Too much of a good thing-‘ als roman
misschien, , maar filmisch met veel mogelijkheden!
In boekenvriendschap, Jet
