dinsdag 30 april 2024

Jet Marchau over 'Een ander leven' van Bart Moeyaert

Ik lees en ik lees en ik lees…

Bart Moeyaerts lang verwachte (gedeeltelijke) biografie verscheen in de prestigieuze reeks privé-domein van de uitgeverij Arbeiderspers. Bart mag zich met nummer 328 eén van de gerenommeerde auteurs uit binnen- en buitenland noemen die hem sinds 1966 voorafgingen.

Het uitgangspunt van Een ander leven is een verjaardagscadeau aan zijn 70-jarige moeder: een driedaagse citytrip naar Parijs: ‘ekki weg’ of: ‘er even tussenuit’.

In Parijs polst hij naar hun beider leven:
‘Hoeveel weet mijn moeder eigenlijk van de volwassen man en schrijver?
En hoeveel weet ik van het leven van mijn moeder?’ Op de vragen die hij in Parijs aan zijn moeder niet gesteld heeft, probeert hij in Een ander leven antwoorden te vinden, met de citytrip als leidraad.
De 339 blz. non-fictie vind je in de bibliotheek onder het etiket biografische literatuur. Het lijvige boek is hoofdzakelijk een autobiografie, en een gedeeltelijke biografie. De onderverdeling in 5 delen: opmaat, eerste, tweede, derde rust, en slotakkoord zijn een vage aanduiding over de gemoedtoestand van de auteur bij het langzame afscheid nemen van zijn verleden na de dood van zijn ouders, en van de ballast die na jarenlange rouw die uiteindelijk van hem afvalt.

-Een autobiografie: De zoon Moeyaert herdenkt zijn vroege levensjaren: zijn kinder- en tienertijd in het ouderlijk huis in de Karel van Manderstraat in St.- Kruis-Brugge, als jongste van zeven broers, met een strenge vader en een zorgende moeder. Daarbij en daarnaast komen ook zijn problematische schooltijd in het Brugs St.-Leocollege, zijn studententijd in Brussel, zijn verblijf in Parijs, Antwerpen, Amsterdam … aan bod.
-Een gedeeltelijke biografie van zijn moeder: daarin probeert hij zicht te krijgen op haar jonge jaren. Als enige dochter van de huisbewaarster woonde ze met haar moeder in de ‘sous-sol’ van het kasteel Gruuthuyse in Oostkamp. In haar huwelijk met onderwijzer, later inspecteur Omer Moeyaert was ze de volgzame echtgenote, en de zorgende, vaak zorgelijke moeder voor en over haar zeven zonen.
Talrijke foto’s van zowel moeder als zoon ondersteunen beide verhalen.

Het is gepasseerd
Het andere leven van zijn moeder, Henriette (Riet) Smessaert.

Een ander leven is door de dubbele inkijk ook een dubbel tijdsdocument.
De jaren dertig komen tot leven in het kasteel Gruuthuyse, dat Bart ter gelegenheid van een opendeurdag bezoekt. We wandelen dankzij zijn bijzonder intense mijmeringen in de naglans van de belle époque mee naar de sous-sol. Daar beeldt hij zich in hoe het vaderloze gezin overleefde in het kasteel nadat de adellijke familie in 1939 halsoverkop naar veiliger oorden (Zwitserland) verhuisde. Ik bekijk de intieme film in zijn hoofd: de poëtische, tedere auteur van zoveel fictieverhalen is nooit ver weg.
Dit aangeklede verhaal over zijn moeder schetste hij eerder in zijn allereerste gepubliceerde kortverhaal ‘De lente van 39’, verschenen in het ts. Ezeloor. Een nieuwtje voor mij.. Het werd later in het Duits vertaald als Kellerkatze en in 2007 maakte Bart een er luisterversie van.
Zijn moeder is karig met het oproepen van ‘dien tied’: ‘t is gepasseerd’…dus moet Bart wel een beroep doen op zijn verbeelding.
Het ‘andere leven’ van zijn moeder krijgt nog meer kleur in de muziek en de liedjes die de jonge vrouw en moeder meezingt: Nana Mouskouri, Dalida, Grace Kelly, Juliette Gréco, Marva, Mireille Mathieu…: ‘sterke vrouwen met volgens haar een groots en meeslepend, maar niet helemaal gelukkig leven’. Ik neurie glimlachend mee.
Bij de bedenking of zij zich zelf tot de sterke vrouwen rekende, botst Bart op de terugkerende mantra: ‘’t Is gepasseerd’.
Korte fragmenten uit brieven van zijn moeder, voornamelijk uit de jaren 86-89, enkele van na 2000, leiden de verschillende hoofdstukken, of passages, in. Ze zijn voornamelijk informatief over het reilen en zeilen van zijn vader en haarzelf in een leeglopend huis. De eenzaamheid drukt.
Maar nog altijd is er dat bezorgde: ‘‘ zeg op tijd tegen jezelf; rustig jongen’, het verlangen: ‘ we zien mekaar zo weinig/ en we wonen veel te ver van elkaar’ en de onderhuidse voelbare appreciatie.
Ik lees en ik lees en ik lees, vol bewondering verdwalend in Barts beeldende herinneringen.

Het andere leven van een zoekende jongen en auteur.

Een tweede tijdsdocument vormt de brede achtergrond van de beginnende auteur, de coming- of age- en coming-out periode. Een zoekende periode na zijn debuut als 18-jarige.
Opnieuw glimlach ik, en samen met mij waarschijnlijk ook veel oudere lezers, bij de reactie van de timide winnaar van de Kinder- en Jeugdboekenprijs voor zijn debuut Duet met valse noten (Altiora). Ik lees en leef mee met zijn morele coming-of-age gevecht (met zijn vader en met zichzelf), om op eigen benen te staan; over hoe hij zich met Kus me (1991), zijn vierde boek , onder impuls van Mireille Cottenjé, losmaakt van het jeugdfonds van uitgeverij Altiora; over het moeilijke afscheid en van Norbert Vranckx, zijn enthousiaste uitgever van het eerste uur; over zijn overstap naar de ‘vrijere’ en literaire uitgeverij Querido en zijn kennismaking met uitgever Jacques Dohmen.
Ik lees geïnteresseerd over de gesprekken met gekende uitgevers en auteurs, onder andere Nelleke Berns en haar man Jef, André Sollie en zijn man Wim, Veronica Hazelhoff, Marit Törnquist, zijn Duitse vertaalster Mirjam Pressler en noem maar op.
Hun werk draait in een schilderachtige carrousel voor mijn ogen, net als de boeken die Bart in zijn kinderjaren koesterde: Pietje Bell, Pietje Puk, de gebroeders Leeuwenhart, de kinderen van het achtste woud van Els Pelgrom, de liedjes van Jasperina de Jong…later ook Imme Dros, Wim Hofman, Judith Herzberg, auteurs van wie hij het ‘precies genoeg’- schrijven koestert en overneemt.
En ik herinner me de prijzen die hij in die tijd niet of wel kreeg en zijn verontwaardiging over de minachting voor de jeugdliteratuur. Ik knik instemmend.

Alle zitjes van de nostalgische carrousel worden beeldrijk gevuld.
Ik lees en ik lees het kriskras geschreven verhaal. Chronologie is van geen belang, het verhaal volgt zijn herinneringen die hij put uit dagboeken, brieven, krantenknipsels, foto’s en herinneringen. Steeds getriggerd door het samenzijn met zijn moeder in Parijs.
En tussen al die herinneringen door stok ik ook vaak halverwege: bij zijn late coming- out verhaal, en wat daaraan voorafging. De vrienden van korte tijd,, de vrienden van langere tijd, zijn grote liefdes in Parijs, in Amsterdam, Antwerpen en in Borgerhout…waar hij zijn tweede rust vond.
Bart, dacht ik, ben ik nu een voyeur? Wil je ons ook dit in al je eerlijkheid tonen?

Want dat is Een ander leven ook: een zeer openhartige verhaal van een onzekere jongen, die omwille van zijn geaardheid dit gevecht met zijn vader en zichzelf moet aangaan. En dit lang verborgen houdt. Ook al las ik die passages met een zekere gêne, ze roepen loepscherp de moeilijke zoektocht van de twijfelende jonge man op. Op die manier kleuren ze op een intieme, maar openhartige manier het tijdsdocument van de jaren 80 en 90.

Ekki weg ( er even tussenuit)
Ik ben net als Barts moeder ‘ekki weg’ geweest. Als West-Vlaming, Bruggeling bovendien, heb ik nog vaker geglimlacht onder meer bij de West-Vlaamse woorden die hij getrouw uit de mond van zijn moeder noteert: ‘getjoold’, ‘mo joeng’s toch’ ‘ekki weg’ ‘ in dien tied’, (…). Met vertaling weliswaar.
Ik las en ik las en ik las. Bart Moeyaert liet me in Een ander leven zien wat hij vaak ongrijpbaar voelt.
De intense zoektocht van zijn vroege leven verwoordt hij ‘precies genoeg’.
En tenslotte: De derde rust en het slotakkoord: in de lange rouwperiode na het overlijden van zijn ouders, zet een verrassende point finale: in een doos die hij post mortem toebedeeld krijgt, vindt Bart Moeyaert de appreciatie en de trots van zijn vader waar hij jarenlang naar op zoek was geweest.

Bart, je openhartige en bijzonder neergeschreven tocht zal me bijblijven. Je overdonderde me nog maar eens. Dank dat ik even mee mocht.

© Jet Marchau, 28 april 2024.

Een ander leven, Bart Moeyaert - Privé-Domein - De Arbeiderspers

Een diepgaande bespreking van het vroegeree werk van Bart Moeyaert vind je in het jaarboek van de VWS 2023:

dinsdag 2 april 2024

Eén perfecte dag van Nadia Lang voorgesteld

Zaterdag 30 maart 2024 was er in de Oostendse Bib de boekvoorstelling van 'Eén perfecte dag' door Nadia Lang (ps. Nadine Van Den Langenbergh). Nadine werd over deze psychologische roman geïnterviewd door vriendin en psychotherapeute Gerda Van Erkel. In 'Eén perfecte dag' beschrijft de hoofdpersoon Nora met een verrassende openhartigheid haar door tragiek doorspekt leven, het delicate evenwicht tussen lot en keuze dat nooit kan worden berekend. Ze was jong toen haar moeder stierf en vader hertrouwde. Het gezin komt in de ijzeren greep van de Getuigen van Jehovah. Van kleinsaf vlucht ze in haar droomwereld en later in een huwelijk. Ook haar man is rusteloos, komt nergens thuis. Wanneer hij emotioneel onbereikbaar wordt, drijft de eenzaamheid haar tijdens de covid-lockdown tot een digitale affaire met een schrijver.

Die belooft haar de hemel. Zij gelooft hem blind. Ze trekken zich samen terug in hun eigen droomwereld, zoals ze dat als kind ook al deed. Uiteindelijk ontmoeten ze elkaar in het echte leven, maar haar fantasiewereld wordt sterker dan de realiteit. De waarheid is echter meedogenloos. Het verhaal combineert het tempo van een leven getekend door eenzaamheid en vervreemding, de tederheid en het verdriet van een mislukte liefdesrelatie en de spanning van een psychologische thriller.

Meer info op https://edina1953.wordpress.com/2023/12/03/een-perfecte-dag/

© Stefaan Pennynck

Nadia Lang (l) en Gerda Van Erkel


 


 
 Foto's: Giedo Vanhoecke


vrijdag 23 februari 2024

Een moederboek als een groeiend bos

Jet Marchau bespreekt 'Bloedzang' van Caro Van Thuyne

‘Dit boek is een groeiend bos en elke boom ben jij’

Beter dan die quote kan ik ‘Bloedzang’ van Caro Van Thuyne niet samenvatten. Hoewel, mijn exemplaar staat vol potloodstrepen en ik verdwaal in al mijn notities…stof genoeg voor vele titels als inleiding.

In mijn boekenkast staan meerdere ‘moederboeken’: Peter Verhelst met ‘Voor het vergeten’, Tom Lanoye met ‘Sprakeloos’, Erwin Mortier met ‘Gestameld liedboek’, Adriaan Van Dis met ‘Ik kom terug’… En straks dus ook ‘Bloedzang’, zodra ik het van mijn leesvenster haal, als uitnodiging voor nieuwsgierige lezers.

De inhoud.
Bloedzang is een autobiografische roman.
 
Na een hersenbloeding is Caro Van Thuynes moeder gedeeltelijk verlamd en is ze haar taal verloren (afasie). Dag na dag zitten haar man, en beurt om beurt haar 4 kinderen aan haar ziekenhuisbed, hopend op enige herkenning of mogelijkheid tot communicatie.

Met Caro, de oudste dochter, volgen we bijna minuut na minuut mee hoe de ziekte evolueert en vooral, hoe Caro daarop reageert en reflecteert.

Die reflecties doorkruisen haar intense pogingen om haar moeder terug te halen, om haar eigen onmacht en verlatingsangst te kaderen. De 426 blz. lange zoektocht naar de juiste woorden om haar bedenkingen, herinneringen, emoties, frustraties in taal te brengen zijn intens, wervelend en overdonderend.

Dit boek van mij gaat over zoeken, dwalen tussen water en wind maar blijven zoeken. En in het zoeken zit het vinden.’
 
De zoektocht
Een moederboek van 426 blz., val je dan niet in herhaling?
 
Niet als je zoals Caro Van Thuyne het proces van afscheid telkens vanuit een ander perspectief bekijkt. Enkele voorbeelden:

-Haar pogingen om haar moeder terug te halen, zijn doorspekt met verwijzingen naar werk van bewonderde auteurs, die ze appreciërend ‘zuster’ of ‘tante’ noemt: mijn zuster Kate (Kate Zambreno, The Book of Mutter), haar zuster Anne (Anne Carson,Gender of Sound), haar tante Pinkola , (psychoanalytica en bewaarder van oude verhalen Clarissa Pinkola Estés)- van haar leert ze dat haar m’màtje’ in het ‘tijdperk van de nevelwezens’ is beland- , tante Annie (Annie Dillard) bij wie ze haar geloof in de natuurreligie bevestigd ziet, tante Mary (kunsthistorica Mary Beard), kunstenaar Frida Kahlo die de ‘universele’ moeder schilderde in Mijn geboorte, de gekoesterde Celia Paul met haar zeeschilderijen. De volledige lijst vind je in het dankwoord achteraan.

Met hun werk als background overdenkt ze het liefdeloze verleden van haar moeder, verwijt ze haar levenslange onderwerping als vrouw, reflecteert ze over de patriarchale maatschappij en de bevrijding die zij, Caro, als dochter bevocht en nog altijd bevecht.
 
'Natuurlijk kwam ik in opstand, ik wilde geen gevangene zijn, ik wilde kunnen stormen en vliegen! Ik was woedend dat jij zo mak en gedwee was, waarom was je zo mak en gedwee, wilde jij dan niet vliegen, iedereen wilde toch vliegen, iedereen had toch het recht om te vliegen, vechten moesten we voor dat recht voor dat recht dat ons was afgenomen, waarom vocht jij niet, ik wilde dat je me leerde vechten (…..).'
 
Dat mannelijke auteurs nagenoeg ontbreken, bevestigt de feministische toets in haar werk.

-In haar bedenkingen en haar zoektocht vindt Caro Van Thuyne houvast in sprookjes en de mythologie. Zij zijn een metafoor voor haar eigen verwoede pogingen om haar moeder terug te halen.

Een rode draad is het terugkerende sprookje van de verbannen prinses Elisa en haar elf broers die na een vloek in zwanen zijn veranderd (Andersen?). Luisterend naar de raad van Morgan le Fay spint Elisa met de blote handen garen van brandnetels, en maakt ze er hemden van. Zo breekt ze de betovering. Zoals Caro de betovering rond haar dementerende moeder wil breken met haar woorden.

De belangrijkste rode draad is het beeld van de moederoeken- een zelfgevormd woord voor een soort kraaiachtigen, zowel v/m. Wellicht is de benaming geïnspireerd door het aangehaalde, mij onbekende sprookje My friend the Motherook’. (p. 371.)
 
De kolonie roeken achter het ziekenhuis begeleidt als krachtige metafoor het ziekteproces. Volgens de mythologie kunnen ze zowel onheilsboden zijn, of begeleiden ze de deugdzamen naar de hemel. In het tweede deel, na de dood van m’màtje, getiteld De Moederoeken, begeleiden zij het rouwproces van Caro en wordt hun metafoor nog krachtiger.

-Metaforen en beelden blijven een constante in het verhaal: de spiegel waarin ze haar moeder in zichzelf ontdekt, het lakken van de rode nagels die haar moeder weer levenslust moeten geven, het zingen van m’màtjes favoriete liedjes (Wil Tura), de ‘berin’ waarin ze zichzelf in haar onmacht en woede- bijvoorbeeld tegen onbehouwen verzorgsters- soms transformeert, de bezweringformules en litanieën die ze wanhopig herhaalt…en zo meer.

-Haar toevlucht zoekt ze in de natuur waarin ze vlucht, het bos, de zee, de bossen kleurrijke bloemen uit haar tuin die ze meeneemt naar de ziekenkamer..

De natuur die haar helpt, maar niet kan redden:

Willen vluchten en niet kunnen, willen loswurmen en -wrikken maar niet kunnen; Omdat onze streng weer strak getrokken wordt, m’mà, de streng waarover we geen zeggenschap hebben.'

Confronterende, intense bladzijden die er nog maar eens op wijzen hoe zintuigelijk Caro Van Thuyne schrijft, en hoe ze ons daarmee kan inpalmen.

menigmaal zou ik liever schilder zijn dan schrijver’'

Zij schildert met woorden.

-Met die zoekende, aftastende woorden wil ze haar dementerende moeder terug halen. Ze spreekt ze aan met m’màtje, en in het West-Vlaams, de taal van de ‘vertellementen’, 'grapjes, spreuken, de taal als toveren en als schelmse liedjes om op te dansen, taal als carnaval, taal als het feestje van ongrijpbaarheid, taal die met een plagerige heupstoot de hele blokkentoren van discipline en verwachtingen te val brengt. '

De taal die haar moeder haar gegeven heeft.

Jouw taal is als een bloedzang door mijn kinderlijf gegaan en heeft daar alles aangeraakt, het zal voor altijd blijven natrillen in mijn ribbenkooi, mijn schedelkooi, mijn bekkenkooi.'

De taal gebruikt ze ook als bezwering, in sommige bijzonder intieme, ontroerende passages, bijvoorbeeld waarin ze haar moeders arm en handen streelt, haar verzorgt, haar nagels lakt, of wanneer ze haar moeder als ‘Wout Vaak’ met verhalen in slaap wiegt.

De taal als kunstwerk op zichzelf, hier een kunstwerk zonder ‘Beschränkung’, zoekend naar het juiste woord, herhalend en moeilijk om de juiste woorden te vinden:

De juiste woorden voor mezelf, de juiste woorden vor jou. En, de juiste woorden voor al wie dit zal lezen, de juiste woorden, die niet uitleggen, maar laten voelen , ik wil dat wie dit leest voelt, zichzelf zal toestaan te voelen.’

Bloedzang is een boek om ‘te voelen’, geen boek om ontspanning te zoeken, geen boek om in één ruk uit te lezen. Je moet je laten meevoeren, de taal met mondjesmaat proeven, de machteloosheid willen blijven voelen. Bloedzang is ook een zeer persoonlijk boek. Caro’s moeder is geen ‘universele’ moeder, zoals Frida Kahlo ze schilderde, ze zocht haar eigen moeder: Jij blijft mijn enig bestaande individuele moeder, m’mà, en ik jouw enig bestaande eerste dochter en ik wil nadenken over onze enig bestaande individuele verhouding tot elkaar.’

Vele keren vraagt ze zich af waarom ze dit zeer individuele boek schrijft . Het antwoord is simpel: ‘Omdat ik van je hou m’ma’.

Die persoonlijke moeder- dochter relatie is overweldigend, maar zal in vele passages voor gelijkgestemde lezers herkenbaar zijn.
Het is vooral de taal die mij overdonderde. Af en toe had ik de neiging om te skimmen vanwege té doorgedreven zoeken, tasten, beschrijven, herhalen…Hoeveel keer heb ik gedacht: stop, genoeg uitgesponnen emoties, om me dan toch weer te laten bedwelmen door de werveling en het ritme van de taal in haar sprookjes, natuurschilderijen, bezweringen…

‘Bloedzang’ komt op mijn leesvenster, als lokaas voor een goeie boekenbabbel.
 
‘Bloedzang’ staat ook op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2024. Op 11 maart misschien ook op de shortlist. En op nog vele andere lijstjes. Daar hoort het ook.

In boekenvriendschap,
© Jet Marchau

Deze recensie verscheen eerder ook op de FB-pagina's van Jet Marchau en 'Brugge Leest'.
Tevens werd ze als blogpost opgenomen in het e-zine De Schaal van Digther.